maandag 5 augustus 2013

Zetellift in augustus

Je had de kabelbaan al overdag gezien,
je hoorde het gelach van de toeristen
als hun voeten het gebladerte raakte.
's Avonds zag je de stoeltjes stil hangen aan de draad,
soms bewoog de wind ze en piepte de katrol.
Die kabelbaan, waar ging die heen, het dal in en weer terug?
Je volgde de kabel door de weides terug de heuvel op.
 
Het keerpunt lag in het bos en dus in het duister.
Daar bevond zich ook dat ronddraaimechaniek
Men ging hier het licht weer tegemoet en zoefde
over druivenranken en de minigolf weer
terug naar het begin, de vaste grond, de overkant.
 
Acht meter hoog zweeft men daar over de wegen,
en de levens van de anderen. Men is omgord,
dat is verplicht. Bij storing de zetel niet verlaten.
De diepte wacht hier tussen hemel en de aarde,
men is slechts gezekerd met een dunne haak. 

De landingsplek, en tevens het begin, heet Genua en is een restaurant.
Je bleek te vroeg, men ging pas over twee uur open.
De uitbaatster rookt en heeft twee honden. Ze heeft ze amper in bedwang.
De ene valse schampt je been, de ander roept ze terug.
Dan noemt ze tijd en prijs en dooft haar sigaret.
 
Je ziet de route loodrecht lopen door het dal. Je voelt een koude wind.
Bij de opstapplek, een kruis, zie je de dodemansknop felrood kleuren.
Je wilt hier weg, je hakkelt, je groet en belooft iets vaags.
Je draait je om, en je hoort, als was het een dreigement,
de stem van de uitbaatster: tot straks...

maandag 1 juli 2013

Je zocht je jeugdvriend op het internet

(Voor H. de V.)

Je zocht je jeugdvriend op het internet
maar Google vond hem niet.
Dan is hij zeker vroeggestorven
door ziekte of door ongeluk.
Dan is van zijn streven niets gekomen,
dan vond hij vast een vroegtijdig graf. 

Dan is hij geen begenadigd gitarist,
speelt hij niet alleen of in een bandje
(hij was zoveel van plan)
En is geen leerkracht op een leuke school.
En leidt hij niet een gelukkig bestaan
met zijn kind en met zijn vrouw. 

Misschien had hij te vroeg gepiekt,
en was er verder niets te gaan.
Misschien is het maar beter zo, je klampt je
aan die rare redenering vast.
Wie weet was hij anders zo'n waanzinnige geworden,
die hardop pratend door het centrum gaat,
die in vuilnisbakken graait en
codes leest in nummerborden. 

Of was hij misschien zo'n straatartiest
met het bekende gehaaste repertoire.
Beetje vals door die ene missende snaar.
De handen vies, de stem schor van tabak. 

Misschien is hem, je gunt het hem,
veel bespaard gebleven: een scheiding,
een failliet, het slechte pad - je somt wat op.
Maar hoe dan ook, je jeugdvriend ben je kwijt.

woensdag 19 juni 2013

Opwaaiende Zomerjurk

Voor het opwaaien van
een zomerjurk is nodig
een jurk en een zwoel briesje. 

Voor het opwaaien van
een zomerjurk is nodig,
een zomerbriesje en een meisje dat
bereid is om verrast te schrikken. 

En een jongen die dit ziet.
Dat meisje en haar zomerjurk
die opwaait. En verder niets.

maandag 17 juni 2013

Veenstra's Nougat Montelimar

De kraam is gesloten
maar niet helemaal dicht:
door een kier schijnt nog wat licht.
Het park is stil, laatste pleisterplaats
voor de spooronderdoorgang, de stad uit.
Weg van de kermis en het gedruis.
De luifel is neer, de luiken worden gesloten.
Daarachter de nougat en de kaneelstok.
Het licht gaat uit, het zoet is hier stil.
De BTW wordt geteld. Het is genoeg.
De regen valt gestaag. Klaar voor vertrek.
Er is geen rust, morgen wacht Enkhuizen

maandag 3 juni 2013

Platte poëzie - een 'bijna ready made'

 'Op de poëzie van Ida Gerhardt,
(1905-1997) valt nog wel wat af te dingen.'
Classicus, dichter en criticus
Piet Gerbrandy, wilde het toch maar
eens gezegd hebben.
Op verzoek van het Ida Gerhardt Genootschap
hield hij een lezing.
Gebrandy bleek zo weinig geporteerd
van het werk van de nog altijd zeer geliefde,
en veelgelezen dichteres,
dat hij door zijn gehoor bijna gelyncht werd.
 
'Hoe vaker ik haar bundel "Het Veerhuis" las,
hoe agressiever ik werd'.  Aldus Piet Gerbrandy.
'Het is zelfingenomen, platte poëzie
van iemand die vervuld is van haar talent,
en daar de hele tijd over praat, zonder dat
verder uit die bundel dat talent blijkt.'
 
'Literatuur gaat over wat het betekent om
de menselijke existentie te verduren.
En daar zit het probleem:
Gerhardt ontloopt de existentiële problemen,
door het alleen te hebben
over het feit dat ze in staat is over
die existentiële dingen te praten,
wat ze vervolgens niet doet!'
 

De originele tekst stond in Trouw Letter & Geest 1 juni 2013:

Platte poëzie

ALLY SMID − 01/06/13, 00:00

Classicus, dichter en criticus Piet Gerbrandy wilde het toch maar eens gezegd hebben. Op de poëzie van Ida Gerhardt valt wel wat af te dingen. Afgelopen najaar hield hij op verzoek van het Ida Gerhardt Genootschap een lezing die nu is afgedrukt in het jongste nummer van Schriftuur, het blad van de club. Gerbrandy bleek zo weinig geporteerd van het werk van de nog altijd zeer geliefde en veelgelezen dichteres Gerhardt (1905-1997) dat zijn gehoor hem bijna te na kwam. "Ik werd bijna gelyncht", aldus Gerbrandy. In het VPRO-radioprogramma 'Brands met Boeken' deed hij er vorige week nog een schepje bovenop: "Hoe vaker ik haar bundel 'Het veerhuis' las, hoe agressiever ik werd. Het is zelfingenomen platte poëzie, van iemand die vervuld is van haar talent en daar de hele tijd over praat zonder dat verder uit die bundel dat talent ook blijkt. Literatuur gaat over wat het betekent om de menselijke existentie te verduren en daar zit het probleem: Gerhardt ontloopt de existentiële problemen door het alleen maar te hebben over het feit dat ze in staat is over die existentiële dingen te praten, wat ze vervolgens niet doet!"

 

woensdag 22 mei 2013

Het kanaal

Het kanaal is enkel recht,
heeft geen begin en ook geen eind.
Loodrecht de beschoeiing,
peilloos en donker het water. 

Je fietste langs dat gestrekt kanaal,
jaar na jaar naar school.
Je kende de heen- en terugweg:
het kanaal heeft geen begin of eind. 

De wind blaast over het vlakte.
Je buigt je krom over het stuur
De populieren bieden geen beschutting.
Het water ruikt naar dode vis. 

Het veen trekt en zuigt.
Het land zakt langzaam weg.
Je ruikt de carboleum van de dukdalf,
die ene keer dat de zon erop schijnt. 

De brugwachter laat de bomen neer.
De boot trekt een tijdelijk spoor.
Je hoort het geklots en gekabbel
Je wacht, het leven trekt voorbij.

zondag 19 mei 2013

De Kat van Toko Kim Lan

Ik zie U elke nacht,
Gij zetelt aan de andere zijde,
slechts gescheiden door straat
en twee maal vensterglas.
's Nachts wenkt U mij,
baken in de eeuwige duisternis
tussen de shampoo, de waaiers en de mie. 

Uw troon is hoog achter de etalageruit,
boven de potjes met het vreemde etiket.
U glimt en glinstert in het duister.
Open ik  het gordijn omdat ik u dan zoek,
dan wenkt u, verheven boven het daagse van
de vijzel en de kommetjes en al het bamboespul
en de reclame voor goedkoop bellen naar Somaliland. 

Kat van Kim Lan, van schemer tot
het zwartst van de nacht,
Uw wenken begeleidde me al die tijden.
Nu bent U verstild, uw arm verstard,
Bent u nu zelf uitgezwaaid? 

Uw blik boort zich naar de overkant
ik voel hem star op mij gericht,
is het een verwijt, heb ik iets nagelaten,
had ik wellicht moeten oversteken?
Is het uw tijd die gekomen is,
of, ik schrik, misschien de mijne?