U zit nergens aan vast
En u kunt niet verlengen
Het contract stopt vanzelf,
Hoeft u niets voor te doen
Overstappen naar een
Ander leven kan niet.
Korting is er ook niet bij
En ook geen extra’s
En het einde komt vanzelf.
Dus, waar wacht u op?
Komt uit zijn woorden (dichter voor halve dagen)
U zit nergens aan vast
En u kunt niet verlengen
Het contract stopt vanzelf,
Hoeft u niets voor te doen
Overstappen naar een
Ander leven kan niet.
Korting is er ook niet bij
En ook geen extra’s
En het einde komt vanzelf.
Dus, waar wacht u op?
We wilden naar de
kunsttentoonstelling in het Arnhemse park Sonsbeek, die eens in de vier jaar gehouden
wordt. En aan de vorige vier edities hadden we aardige tot goede herinneringen,
dus hadden we een bezoek aan deze editie geagendeerd. Maar de treinen reden
niet tussen Deventer en Dieren, vanwege werkzaamheden op het spoor, vandaar die bussen..
Okay, maar om een eventueel lang verhaal van mij kort te maken: ik vond er weinig aan, aan deze editie. Ik vond weinig goed. Ik werd door niets geraakt. Er waren niet echt kunstwerken bij die indruk op me maakten. Ik stond nergens echt lang bij stil. Ik stond nergens paf.
En de titel van de expo vond ik ook al zozo. Ik hoef geen tuin, ik deel een park, van Loesje.
Dat klinkt heel lief, ruimhartig en wellicht spreken hier ook praktische en financiële overwegingen mee, en misschien ook ideologische, maar het is ook wel een tikje naïef.
Maar voor de duidelijkheid: aan het park, aan Sonsbeek, lag mijn deceptie niet. Sonsbeek lag er majestueus bij met zijn weides, heuvels, beuken, beekjes, vijvers, waterval en Belvedère (uit te spreken op z’n Johnny van Doorns: dus de derde è lang, erg lang, aanhouden, Belvedèèèèèèèère). Zo hoort een park er uit te zien. En daar hoort natuurlijk dan ook kunst bij van niveau.
En die zag ik hier niet. Die was hier niet.
We kochten een routekaart en gidsje en gingen op zoek naar de kunstwerken.
En nou kan het komen dat dit al onze zesde of zevende kunstroute was die we dit jaar liepen, maar wat een matige kunst was dit.
Van verleden edities bleef me altijd, minstens één spectaculair beeld bij – dat zag ik dit jaar niet gebeuren, alles ging oog in, oog uit. Er was niets dat eruit sprong, dat me raakte. Er was zelfs geen schandaal of rel.
Jammer.
Er was, de kunst van Sonsbeek strekte zich iets verder uit dan alleen het park, nog wel één kunstwerk dat de moeite waard was, te zien naast het Stadhuis van Arnhem:
Mystiek Hexagram. Een kunstwerk dat bestaat uit 32.940 bloemen en kruiden (een kleine veertig soorten). Bedacht en aangelegd door de Vlaamse Anne–Mie Van Kerckhoven. Allemaal eenjarigen, dus het is in meerdere opzichten een tijdelijk kunstwerk, maar wat prachtig om te zien, wat een kleuren, wat een palet, wat een rijkdom, wat een leven. Goed verhaal er achter ook.
Dus toch nog iets goeds voordat we de NS- bus terug naar Deventer weer instapten.
· Mark Wallinger (1999) – Ecce Homo
· Bill Woodrow (2000) – Regardless of History
· Rachel Whiteread (2001) – Monument
· Marc Quinn (2005) – Alison Lapper Pregnant
· Thomas Schütte (2007) – Model for a Hotel 2007
· Antony Gormley (2009) – One & Other
· Yinka Shonibare (2010) – Nelson's Ship in a Bottle
· Elmgreen & Dragset (2012) – Powerless Structures
· Katharina Fritsch (2013) – Cock
· Hans Haacke (2015) – Gift Horse
· David Shrigley (2016) – Really Good
· Michael Rakowitz (2018) – The Invisible Enemy Should Not Exist
· Heather Phillipson (2020) – THE END
· Samson Kambalu (2022) – Antelope
· Teresa Margolles (2024) – Improntas
Dit imposante rijtje kunstenaars ging de Amerikaanse Tschabalala Self voor, met een kunstwerk op de Vierde Sokkel op het Londense plein Trafalgar Square.
De sokkel werd in 1841
gebouwd met de bedoeling dat het standbeeld van Koning William IV er op zou
komen. Maar dat plan is door geldgebrek nooit gerealiseerd.
De sokkel bleef leeg.
In 1998 leek men het een leuk idee om hedendaagse kunstenaars te vragen om de sokkel, tijdelijk, te vullen. Dat leverde verrassende kunstwerken op.
En nu was de eer aan Tschabalala Self die een ruim vijf meter hoog beeld van een dame in een blauwe jurk op de sokkel plaatste.
Een leuk, vrolijk en energiek beeld. Alleen mij viel gelijk één ding op: mevrouw loopt niet goed, de dame beweegt verkeerd, de Lady in Blue is een telganger.
Als een mens loopt, of laat ik het bij mezelf, oude witte man, houden: als ik loop, dan beweeg ik mijn rechterarm en linkerbeen tegelijk naar voren. En als mijn rechter been naar voren gaat, dan beweegt mijn linker arm mee. En zo lopen de meeste mensen.
Maar niet de Lady in Blue, zij loopt als een telganger, zij beweegt haar linker arm en haar linker been tegelijk naar voren. Typisch. Probeer het maar ‘ns thuis.
Het bronzen beeld wordt gezien als een hommage aan de jonge, zelfbewuste, zwarte vrouw in een metropool. Dat is heel mooi omschreven, maar wel een jonge vrouw die loopt als een telganger.
Verleden maand nog een poosje
aan de kust verbleven.
De zee, het strand en de
boulevard verkend,
bij zonsopgang, bij maanlicht
en bij de ondergang
van de zon. Gezwommen, pootje
gebaad,
zandkasteel gebouwd, schelpen
verzameld,
ijsje gegeten, in de zon gelegen,
gewandeld
over de schorren en de
slikken, muien
getrotseerd, het krijsen van meeuwen
geïmiteerd,
langs de
vloedlijn geslenterd, langs de eblijn,
mozaïek van schelpen gelegd,
vis gegeten
foto’s van dit alles gemaakt,
naar het eeuwig
geruis geluisterd, strandzand
uit je lakens geklopt,
het zout van je lippen gelikt,
de tankers aan de horizon
zien liggen, de zon in het
water zien schitteren,
de kinderen met hun emmers en
schepjes,
Je wilde er nog iets over
schrijven, over het strand
de zee, het licht, de oneindigheid daarboven,
en jij daar ergens, maar je
deed het niet.
Hoe moet je een rivier
uitzwaaien
hoe moet je afscheid nemen
van die stroom, een flesje
water
er in uitgieten misschien?
Een traan laten om het
slootje
dat ze nu was. Je zag de
fietswrakken,
de winkelwagentjes, de bodem.
Waar het hart klopte, de ader
stroomde,
rotte nu het slib en de drab.
Je rook het einde erg nabij
Gisteren, dat is zaterdag 29 augustus, bezochten we een muziekfestival, net aan de andere kant van de rivier, de IJssel. Into the Mud heette het, en ik was er nog nooit geweest, de eerdere edities had ik gemist.
Maar wat een leuk festival is dat. De locatie kende ik. Vroeger, jaren tachtig, negentig en ook nog daarna, was er een kwekerij gevestigd. Maar nu is het terrein eigendom van DAVO, en biedt het gebied meer mogelijkheden dan alleen groen. Er is een Blote-voeten-pad, horeca, een camping een winkel en dus ook een festival.
Het festival heet dus Into the Mud, en daarom hadden we ook niet vooraf kaartjes gekocht. Want muziek beluisteren in de buitenlucht, met de voeten in het gras kan heel fijn zijn, maar niet als het regent en de capuchon over het hoofd zit en de schoenen plakken en soppen. Dan smaakt het biertje ineens ook wat minder.
Het weer was wisselvallig. Goed woord: het wisselde tussen droog en de regen die viel. Jammer.
Maar dat deed geen afbreuk aan de muziek die er te horen viel. Ik geloof niet dat ik één mindere band gehoord heb. Publiek en muzikanten hielden zich superieur in de druil, de miezer, de mot.
En er was eén band die in het bijzonder mijn aandacht trok: The Dad Horse Experience. Ze traden op, op het kleinere podium: kleinschalig, intiem, besloten door het groen.
En ik was eigenlijk gelijk al verkocht. Waar stond ik hier naar te kijken? The Dad Horse Experience bleek een Duitse band te zijn, afkomstig uit Bremen, gingen ze na het concert ook weer naar terug. Maar wat hadden ze met mij gedaan gedurende hun concert? Ze hadden me compleet gebiologeerd, in hun greep. Ik stond daar vooraan bij het podium, ogen en oren op steeltjes, denk ik, alles in me opnemend, plus een glaasje bier erbij.
Ik wist niet wat ik hoorde. En ik wist wel wat ik hoorde: iets goed, iets heel erg goeds.
Dus, wat deed ik? Na afloop ging ik naar de merch kraam – en kocht daar alle zes cd’s van hem die daar uitgestald lagen. Ja, doe maar alle zes gelijk, 80 euro, hier pinnen?
Danke sehr.
Eén van mijn betere besluiten deze zomer.
De wesp zoemde nijdig in
je flesje bier.
Hij had je in je tong kunnen
steken
Of wie weet, wel fataal,
achter in je keel.
Je zag hem zwemmen, je wist,
daar ging je bier.
Je goot je flesje leeg, bood
hem het leven,
En, wie weet, jezelf ook, want
verstikking
Had je al eens ervaren, je
was toen tien,
Wesp in de limonade, in
augustus.