Daar ligt tie dan eindelijk
voor me, AVERNO de bundel van Nobelprijswinnares Louise Glück. En ik vond het natuurlijk erg goed dat een
dichtere de Nobelprijs won, in 2020, maar toch was er iets dat me weerhield om
gelijk naar de boekhandel te hollen en haar werk Averno aan te schaffen.
Wat was dat, was dat toch dat elitaire luchtje dat om die bundel hing? Dat het
een bundel gedichten was voor gymnasiasten? Voor mensen die Latijn kenden en de
Klassieken? En het leek me ook een erg pretentieuze bundel toe, en zo serieus
ook. Zou er wel wat om te lachen in te lezen zijn? Zou je er een biertje bij
kunnen drinken, of was het gewoon, misschien een doodsaaie en nette bundel voor
oude boomers?
Enfin, we zijn inmiddels een
paar jaar verder, en ik zag Averno liggen op een boekenmarkt, in het
doosje: vijf voor een tientje, net exemplaar, hardcover, mooie uitgave, dus ik
kocht ‘m. (Voor de geïnteresseerden, de andere vier waren: Lotte Dodion, Marcel,
Möring, Luuk
Gruwez en Jabik Veenbaas. Nee, het loont niet om dichter in Nederland te zijn).
In het boek vliegen de loftuitingen
over Averno en Louise Glück in de blurbs je om de oren:
meesterwerk, prachtig poëtisch inzicht, poëtische stem, haar stem maakt het
individuele bestaan universeel. En: alles wat ze aanraakt verandert in muziek
en legende.
Okay.
De opdracht voorin het boek
is voor Noah. Daarna volgt de uitleg over de titel.
Averno, oude naam Avernus.
Een klein kratermeer, tien mijl ten westen van Napels, Italië, door de oude
Romeinen beschouwd als de toegang van de onderwereld, dat twee werelden met
elkaar verbindt, maar tegelijk gescheiden houdt.
Okay.
(Maar eigenlijk dacht ik:
hier gaan we al, hier zeilen we rechtstreeks het Anna Enquist syndroom
in. Hier gaat het highbrow worden. Benieuwd wanneer de eerste naam gedropt gaat
worden).
Ah, het tweede gedicht in de
bundel heeft al als titel: Persephone de zwerver. En Persephone was in de
Griekse mythologie de godin van de onderwereld, de lente en het ontluikende
graan. En ze was dochter van Zeus. Gelijk thuis bij de klassieken en de
antieken.
En ik heb daar dus niets mee. Ik heb niets met die fantasiewereld van toen,
met die mythen. En dat is dan wel een probleem als je je bundel daaraan
ophangt.
En daarmee win je dan de Nobelprijs. Ik vind het nogal oud, nogal wit,
nogal Westers, en op een zeer kleine niche gericht. Ik heb ook niemand
in mijn omgeving gehoord die bezig was in die bundel.
En we zijn inmiddels op bladzijde 91 beland van Averno, en daar staat:
In de late herfst stak een jong meisje
een tarweveld in brand. De herfst
Was erg droog geweest: het veld
ontbrandde als aanmaakhout
Daarna bleef er niets over.
Je loopt er doorheen, je ziet niets.
Er valt niets op te rapen, te ruiken.
De paarden begrijpen het niet -
Waar is het veld, lijken ze te zeggen
Zoals jij en ik zouden zeggen
Waar is thuis.
Niemand weet hoe te antwoorden.
Er bleef niets over:
Je moet hopen, omwille van de boer,
dat de verzekering betaalt.
En
ik dacht, poëzie, klassieken, antieken, mythen, alles goed en wel, maar een
korenveld in de late herfst? Akkoord, Persephone was de godin van het ontluikende
graan, maar ook veroorzaakster van de herfst, dus dit zal dan wel een niet mis
te verstane verwijzing naar… de DOOD zijn, ik doe maar een gokje.
Ik kan
veel verdragen, dichtte Rutger Kopland al in ‘Jonge sla’, maar een
brandend korenveld in de late herfst? Nee’. Ja, zo kan ik ook toveren, bosje
klaprozen erbij misschien mevrouw?
Ik
heb de bundel, 159 pagina’s, links het Engels, rechts de goede vertaling van
Radna Fabias, helemaal uitgelezen. Maar het voelde eerder als plicht dan plezier.