Je omschreef het toen zo Menno,
ieder z’n eigen hel:
door de week het werk, dat je inmiddels wel wist.
En dan zondag naar dat
tuincentrum rijden, Osdorp
om daar met een winkelkar
tussen de gieters,
de stenen tuinbeelden, de
vazen die op urnen leken,
de kikkers, de flamingo’s en
eenden van plastic,
de zakken grind, de
regentonnen, de tuinafscheidingen,
bloempotten, barbecues, de
zakjes zaad, de lampen,
lifestyle-artikelen, parasols
en tuingereedschap,
naar de geraniums, de vaste
planten en de heesters
te gaan, waarbij onderweg de
lucht van de frituur,
vet de ramen van de kas
bedroop, je zat hier precies
in het vacuüm tussen
Kerstshow en Paasversiering.
Was het hier dat je zag dat
er een plant bevoeld werd?
De troosteloosheid benam je
als een warme damp
haast de adem in deze hof van
heden, de tuinslang
wachtte opgerold aan de wand.
De terugreis naar
huis wachtte, benevens morgen
de werkweek, maar
eerst moest je langs de
kassa, niets was gratis hier
in dit leven, een verhuizing
loste niets op, volgend
jaar stond je met je kar op
het nieuwe adres,
of anders had je dan wel een
rouwboeket op je buik.



