maandag 2 januari 2017

Ze kwam binnen en dronk een blikje Red Bull

Ze dronk een blikje Red Bull als ontbijt.
Ze was erg dun maar ze was ook erg aardig.
Ze had geen last van een ochtendhumeur.
Het was haar gewoonte, dat blikje Red Bull.
Ik zou er nog meer leren kennen.
Ze peuterde mijn ooghoeken schoon,
Ze bakte pannenkoeken, voor mij dan,
zij had genoeg aan haar blikje energydrank.

Zij begon altijd d’r haar woest te fatsoeneren:
elastiekje los, krabben, woelen, harken, buigen
en zwaaien, borstelen en weer bij mekaar binden.
En dat alles zonder spiegel, maar met grijns naar mij.

Ze had zo d’r gewoontes, kwam je liever niet tussen.
Ze hield een kasboek bij, ze sliep zonder kussen.
Ze speelde piano, orgel en harmonium, d’r vingers
stonden er helemaal naar. Ook schilderde ze.
Maar exposeren deed ze niet,
alleen ik mocht haar doeken zien.
Ze had ook geacteerd in een film. Maar daar was
het bij gebleven. En ze was te horen in
een koortje op een plaat. Haar cv was divers.

Ze had altijd grootse plannen, met veel verhalen
daarover, maar daar bleef het ook altijd bij. Iedereen
wist dat inmiddels wel, dat het enkel woorden waren,
en dat het bij die plannen zou blijven, maar zij geloofde
er nog in, tegen de klippen op. Ze zou eens –
Ze zou eens, wacht maar, ze moest eerst nog dit….
wacht nog even, ze moest nog eerst dat…

 

donderdag 22 december 2016

Een eigen mening

Dat nieuwe boek van die schrijver…
Dat stilistisch het ene pareltje aan het andere rijgt.
Ja?
Dat boek dat overal zo bejubeld wordt.
Dat boek dat zoveel positieve recensies krijgt.
Dat in haast elke tv- praatprogramma genoemd wordt.
Dat boek dat in elk jaarlijstje staat.
Ja?
Dat vergeleken werd met meesterwerken.
Dat zo geroemd wordt om de dialogen.
Dat zo sterk is vanwege de plot.
Ja?
Dat zo sterk de tijdgeest weerspiegelt.
Dat boek dat iedereen op vakantie meeneemt.
Dat boek waar iedereen zo mee wegloopt.
Ja?
Nou, ik vind er helemaal niks an.

woensdag 21 december 2016

Oudjaar


‘s Middags stond je nog in de rij bij de deurpost, daar werden met potlood de groeistreepjes boven ons hoofd gezet. Het waren hele ladders inmiddels. ’s  Avonds keek je met je broers naar de zelf opgenomen super-8 films. Je vader bediende de projector, spoelde de films aan het eind weer terug. En soms draaide hij tussendoor een stukje film terug, voor het effect. De huiskamer was donker, je hoorde het ratelen van de spoelen, en het zoemen van de projector. Je keek naar wat was vastgelegd, wat was geweest. Stofjes dansten in de lichtbundel. Buiten klonk er al geknal. Je kon niet wachten toen. Nu denk je aan wat is geweest en soms hoor je de projector nog ratelen in je hoofd, je ziet je moeder zwaaien in een sneeuwdecor, maar de film wordt nu enkel teruggedraaid. En je kijkt tegen een lege deurpost aan.

woensdag 14 december 2016

Aanstellers

Hardlopers die groeten, als ze elkaar tegenkomen,
even een kort knikje met het hoofd, even een handgebaar:
het is nog ver, het is warm, het is koud, het is nat, het is guur,
de spieren doen pijn, jullie gaan allebei dezelfde weg: sterkte.
Maar hardlopers die naast een kruispunt, voor een terras,
of op een drukke parkeerplaats druk bezig zijn met hun rek-
en strekoefeningen, behangen met mobieltje en waterflesje –
daar ben ik niet dol op. Nee, die groet ik niet.

dinsdag 13 december 2016

Twittergedichtje

Bezig in net verschenen boek. Speelt in de laatste dagen van december. Hoofdpersoon praat tegen konijn. Goed getroffen sfeer. Het heet The Evenings. Hoe zou je de naam van schrijver uitspreken: Gerard Rieve?

dinsdag 6 december 2016

Voor Jan van Laar

Het gedicht Einde en Begin, kende ik al. In 2000, toen ik bezig was het schrijven van een stadswandeling door Berlijn voor een reisorganisatie, had ik de eerste regels geciteerd, dat vanwege de Trümmerfrauen, leek me toen wel toepasselijk. En omdat de eerste strofe me zo trof, en omdat ik kennelijk druk was met meer prozaïsche zaken, is de rest destijds mij ontgaan. Zo kon het gebeuren dat ik nu pas, 16 jaar later, struikel over de laatste strofe

van het gedicht. Nou kan ik best wat hebben, ik heb een ruim bemeten warm kloppend poëtisch hart. En ik kijk niet gek op als iemand onderzoekt of er aan de achterkant van de taal ook een wereld aanwezig is. En ik ben echt geen Batavus Droogstoppel, maar ik vind wel dat ook binnen de kaders van de poëzie de boel kloppend moet zijn. Want wat schrijft Wislawa Szymborska? Dat er iemand in het gras ligt die lui naar de wolken gaapt terwijl hij

(en nu komt het) een aar tussen zijn tanden heeft. Nou, ik heb het thuis ook geprobeerd, meerdere keren zelfs. Ik wilde het gedicht niet alleen lezen, ik wilde even het gedicht zelf zijn, samenvallen ermee. Dus ik ging ook op mijn rug liggen met, bij gebrek aan aar, een satéprikker tussen mijn kaken geklemd. Maar toen moest ik dus lui gapen. Schiet die  satéprikker in mijn keel. Zo had Wyslawa het vast niet bedoeld. Ik zocht naar een veilige

variatie die wel zou werken, en wurmde de prikker tussen twee tanden. En weer probeerde ik te gapen naar de wolken. Maar bij lui gapen krullen de lippen over de tanden en zit die aar in de weg. Wat ik eigenlijk denk is dat Wyslawa een te mooi beeld heeft proberen neer te zetten. Liggen met grasspriet in de mond alleen was niet genoeg, er moest ook nog ‘ns bij gegaapt worden. En dat beeld wordt dan topzwaar en gaat kopje onder. Jammer dat

nu mijn aandacht op een haast obsessieve wijze naar die slotstrofe gaat, want net die regels ervoor worden er nu door overschaduwd terwijl ze mij zo troffen: Zij die wisten waarom het hier ging, moeten wijken voor hen die weinig weten. En minder dan weinig. En tenslotte zo goed als niets.