zondag 1 maart 2015

Deventer jaren tachtig, eerste helft

Het was altijd herfst. In mijn geheugen
was het altijd herfst en vroeg donker
op de Zandpoort in Deventer
in de jaren tachtig, eerste helft dan.
En de gebouwen stonden er donker en zwaar bij.
De leuzen op de muur in de Spijkerboor en de
Kleine Overstraat waren grimmig:
Knut Folkerts moet vrij, en: RAF de strijd gaat door.
En hoog op de muur van de wereldwinkel,
hoek Kleine Poot Lange B., was daar het portret
van Leila Khaled met haar kalasjnikov.
Haar blik neerwaarts gericht - maar ook ver weg.
Verf droop van haar sjaal, iemand had haar geraakt.
Leila Khaled, icoon van de voorbije jaren tachtig.
Ze was een baken maar haar tijd was voorbij,
ze moest gesloopt, moest plaatsmaken,
voor een damesmodezaak en appartementen.
Een gerestaureerd muurtje, een historiserende gevelsteen
met een wijsneuzerige tekst deden de rest.
Andere tijden, maar het is net alsof het nu weer schemert
en vroeg donker is. En ik daar weer de hoek omsla,
en weer wegduik achter de kraag van m'n leren jack. 

De huisvlieg eind januari

Het was eind januari,
en er vloog een vlieg in huis.
Hij vloog tussen de planten op de vensterbank,
botste tegen de ramen van de erker.
En je ziet die vlieg, en je kijkt naar buiten,
het is immers eind januari, het wintert buiten,
er ligt sneeuw, en je denkt:
het is koud jongen, blijf nou binnen.
Wat weten vliegen nou van vriezen?  

De vlieg is alleen, botst tegen de lamp,
scharrelt naast een theekopje,
hipt van een krant, landt op een dichtbundel,
zit op de rand van mijn bord zich te wassen,
wrijft z'n pootjes tegen elkaar.
En doet dan even een rondje om de lamp.
De vlieg gaat af en toe naar de keuken toe,
voor een hapje, een drankje.  

Ach vlieg, kijk toch uit. Ik had je haast,
even een vuiltje wegpoetsen, opgeveegd.
Je zit op mijn agenda en naast mijn koffiekop.
Is er iets dat je zoekt, voedsel, gezelschap, kennis?
 
De vlieg die wordt opdringerig, zit op de krant,
schuift aan bij het eten, wacht op de koffie,
zit op mijn plek, zit in mijn bier, laat zich balorig,
of juist gulzig en onvoorzichtig geworden,
in mijn mond klokken en weer uitspugen.
De vlieg droogt verdwaasd, verdoofd, dronken,
(je hebt nog steeds een hart) op de vensterbank in de zon.
Je hebt nog steeds een hart, jaja, maar inmiddels
denk je wel: waar is de vliegenmepper?

De Ooievaars nestelen weer

Soms vind je iets door er niet naar te zoeken,
door de juist de andere kant op te kijken.
Vogelpoep op de grond bijvoorbeeld.
En je weet, de ooievaars nestelen weer,
hoog boven je in de bomen.

Waar komt de melk vandaan?

Het gras groeit uit de grond.
De koe kauwt het in haar mond.
Eet gestaag haar buikjes rond.
Herkauwt het gras weer in haar mond.
Poept het uiteindelijk uit haar kont.
Dan valt het op het gras, op de grond.
Achter de plek waar de koe zich net bevond.
Vloeibare poep met een krokant laagje stront.
Zij grazen daar van de ochtend tot de avond.
Totdat de boer met de melkmachine komt.
Ze worden gemolken, de zwart- en roodbont.
En zo is nu het complete procesje rond.
Daar komt dus onze melk vandaan: lekker gezond!

zaterdag 21 februari 2015

De doelman en het polletje

Je was de doelman van het voetbalteam,
je was de vliegende keep, op jou kwam het aan.
Je was de reddende engel, je was de sluitpost
jij was, als het erop kwam, alleen in je doel.
Je was niet een reus van twee meter hoog,
maar je was alert, je torende boven de kluts uit,
als een adelaar, je hield je doel schoon,
je sprong hoog en je dook laag,
je hield je doel schoon. Je hield de nul vast,
wie maakte je wat? Tot die terugspeelbal.
Je keek al rond, je liep al uit, je noodlot
als het ware tegemoet. De bal kwam naar je toe,
je haalde uit en trapte. Maar er was een draai,
er was een onverwachtse stuit van die bal
in die 88ste minuut, je trapte, je maaide in de lucht.
Er was dat polletje, of dat kuiltje. De bal is rond,
maar het veld bleek bonkig. Een pol, een kluit
heeft jou belazerd. Niet snel, maar tergend traag,
niet hard, draalde, de bal in het doel achter je rug,
over de lijn. Je sloot je ogen, beet op je trui.
Maar je bleef staan. Verslagen, maar niet omgevallen.
Je actie, wist je, ging nu de wereld over: je was nu
een youtube-hit. Dat raakte je pijnlijk in je hart.

's Avonds, zou je weer in dat hotel zijn,
weer alleen, in dat kamertje van niks.
Je doel was groter, en het besef zou dan nog meer
op je drukken: je was een doelman van de lucht.
Liever had je die keeper willen zijn van die snoekduik,
je was ten slotte een Eagle, van die redding
in de allerlaatste minuut, van die allerlaatste,
bepalende, maar door jou gestopte strafschop.
Dat je die ongrijpbare bal, je was ten slotte een Eagle,
uit de lucht plukte, maar je lot werd hier bezegeld,
je wist, je werd de keeper van dat polletje.

dinsdag 17 februari 2015

Deventer, hoek Brinkgreverweg, Diepenveenseweg

Werd ik staande gehouden door een Toezichthouder:
ik fietste daar waar het niet mocht.
De verbalisant schreef, zweeg en streek
over zijn mediterrane geitensikje.
Hij overhandigde mij de bon: fietsen tegen de verkeer in.
Ik knikte en zei: fietsen tegen de verkeer in,
ja, dat is verkeerd.

donderdag 12 februari 2015

Verliefd wilde je niet zijn

Verliefd wilde je niet zijn, dat leek je niks.
Verliefd, het idee alleen al, nee, niet voor jou.
Toch schoot je megagieg van haar. Thuis bij jou,
bij haar, in bed, in bad, van ontbijt tot diner aan tafel,
met en zonder kleren op het balkon: duckface,
quasi boos, preuts, danseres, de hele rataplan.
Jij fotografeerde en deelde, zij deelde ook, maar jij -
jij was een prop, je bleek uiteindelijk een rekwisiet.  

Je was verliefd, wist niet wat je overkwam,
maar je wiste niks. Het ging over, jij was weg van haar,
zij was weg van jou, het ging voorbij, je was van je stuk.
Je was kapot. Je was alleen, je had alleen de foto's nog.
Die had je bewaard op je computer: zat je daar om
middernacht, je ene hand op de muis, de andere hand
aan de drank -  je wilde met haar portretten de nacht in.
Kraakte daar je harde schijf. Alles weg, waar naartoe?
Net als zij: je wist het niet, daar ging je kiekjesgeluk. 

Misschien was het een virus.
Je klikte van map naar spookbestand
je cursor zwabberde ongecontroleerd,
er gebeurde nu vast iets met een code,
je hoorde immers vreemd getik, dat was vast
het laatste levensteken van de virusscan.
Verliefd, dit kwam er nou van, jij zat met de brokken.
Verliefd, en jij pieste laatst, je liet graag sporen na,
een hart voor haar in de versgevallen sneeuw.
 
De geheugenkaart van je mobiel
was ook al blank: niks bed-, bad- of balkon-
scènes. Je was in een wrede wereld aanbeland.
Iets ging daar op het display
met haar whatsappjes aan de haal.
 
Je tikte eerst hardnekkig daarna wanhopig op
het scherm, als was het om haar achter het glas
van dat kleine kistje weer tot leven te wekken.
Maar het enige teken dat je kreeg,
was dat je grondig werd ontvriend.
 
Je keek naar buiten. De sneeuw die was gevallen,
(je dacht vreemd genoeg ineens aan 'sneuvelen'),
die was niet blijven liggen. Er was nu een modderplas
rondom je huis. Met daar de sneeuwpop van jullie twee.
Zijn grijns was scheef en was duidelijk voor jou bedoeld.