zaterdag 5 september 2026

Verleden maand nog een poosje aan de kust verbleven

Verleden maand nog een poosje aan de kust verbleven.
De zee, het strand en de boulevard verkend,
bij zonsopgang, bij maanlicht en bij de ondergang
van de zon. Gezwommen, pootje gebaad,
zandkasteel gebouwd, schelpen verzameld,
ijsje gegeten, in de zon gelegen, gewandeld
over de schorren en de slikken, muien
getrotseerd, het krijsen van meeuwen geïmiteerd,
langs de vloedlijn geslenterd, langs de eblijn,
mozaïek van schelpen gelegd, vis gegeten
foto’s van dit alles gemaakt, naar het eeuwig
geruis geluisterd, strandzand uit je lakens geklopt,
het zout van je lippen gelikt, de tankers aan de horizon
zien liggen, de zon in het water zien schitteren,
de kinderen met hun emmers en schepjes,
Je wilde er nog iets over schrijven, over het strand
de zee, en de oneindigheid daarboven,
en jij daar ergens, maar je deed het niet.

 

Laag water

Hoe moet je een rivier uitzwaaien
hoe moet je afscheid nemen
van die stroom, een flesje water
er in uitgieten misschien?
Een traan laten om het slootje
dat ze nu was. Je zag de fietswrakken,
de winkelwagentjes, de bodem.
Waar het hart klopte, de ader stroomde,
rotte nu het slib en de drab.
Je rook het einde erg nabij