Verleden maand nog een poosje
aan de kust verbleven.
De zee, het strand en de
boulevard verkend,
bij zonsopgang, bij maanlicht
en bij de ondergang
van de zon. Gezwommen, pootje
gebaad,
zandkasteel gebouwd, schelpen
verzameld,
ijsje gegeten, in de zon gelegen,
gewandeld
over de schorren en de
slikken, muien
getrotseerd, het krijsen van meeuwen
geïmiteerd,
langs de
vloedlijn geslenterd, langs de eblijn,
mozaïek van schelpen gelegd,
vis gegeten
foto’s van dit alles gemaakt,
naar het eeuwig
geruis geluisterd, strandzand
uit je lakens geklopt,
het zout van je lippen gelikt,
de tankers aan de horizon
zien liggen, de zon in het
water zien schitteren,
de kinderen met hun emmers en
schepjes,
Je wilde er nog iets over
schrijven, over het strand
de zee, en de oneindigheid daarboven,
en jij daar ergens, maar je
deed het niet.