Je had net een druif gegeten
die net niet zoet genoeg
was. Kwam het daardoor? Je
zag de gouden zuidelijke
gloed op de gevels van de
overburen, het was windstil.
In de krant had je ook net iets
over Rilke gelezen,
dan zal de herfst wel
begonnen zijn, dacht je, bladeren.
Binnen zat je achter je
laptop, op zoek naar voldragenheid.
Je dacht, o ja, die Heer, en wist: je zomer is voorbij.
Je had een huis, met scheur, maar geen paniek. Je had
een vrouw, je was niet
alleen. Je was geen nachtportier meer,
je hoefde niet meer ’s nachts
te waken. Je schreef een vriend.
Je pen zocht altijd
rusteloos naar woorden. En dan 's avonds
door de lanen naar de postbus
dwalen, die was verplaatst.