De beheerder van de fietsenstalling aan het Lamme van Dieseplein keek niet op toen ik met mijn fiets langs kwam. Toen ik later mijn fiets weer kwam ophalen, gaf hij nog steeds geen sjoege, geen groet, geen blik, niets. Hij had zijn blik naar beneden gericht: hij las. Ik groette wel, hij keek op, en ik vroeg wat hij las. Hij hield het boek omhoog. Ik kende dat boek, De grote zwaaier van Marten Heijs. Er stond een opdracht voorin. ‘Ja, ik ken dat boek’, zei ik, 'goed boek, wel vind ik de regelafstand wat groot. Maar wat schijft hij mooi hè?’
De beheerder had zijn blik alweer naar het boek gericht. Ik deed mijn fiets van het slot, dat ging zoals altijd gepaard met een harde metalen, zwiepende knal, maar de beheerder hoorde het niet, hij keek niet op.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten