In
de weerspiegeling van de ruit zie ik een man
de
trap oplopen en naar binnengaan.
Hij
loopt snel, gehaast, misschien is hij te laat.
Ik
ben het zelf. Mijn ogen ontmoeten de mijne.
De
blik ontwijken heeft geen zin:
ik
moet naar binnen toe.
En
ik ben te laat, maar dat ben ik continu.
De
haast zit in mijn voeten, ik ben op weg,
ik
heb een drang en zoek mijn cocon.
De
lampjes knipperen warm naar mij,
ik
kleur rood. Ik bestel bier, er is een gemis,
ik
gok, er is een gat in mijn ziel,
een
leegte die moet gevuld.
Mijn
ogen priemen over het glas.
De
roes hangt om mij heen, ik ben alleen,
maar
ben dat al mijn leven lang.
Hier
voelt het zoet, hier voelt het warm.
Ik
druk op een knop, ik treed het vacuĆ¼m in.
Mijn
blik vernauwt, ik druk op die knop.
Die
knop, die lichtjes, de reden dat ik hier ben.
De
kersen op een rij, ik dompel me onder,
Drie
citroenen, drie meloenen op rij.
Ik
druk met mijn linker duim,
steeds
met mijn linker duim, dat moet,
dat
moet, dat is die dwang.
De
lampjes en de lichten zijn er voor mij.
Ik
ben alleen, maar ben dat al heel lang.
Dit
is een speelhal, maar het is geen spel
het
is ernst, ik ben verdoofd, ik verlies.
Mijn
geld is op, ik moet naar buiten toe,
de
wereld in. Ik loop de trap af, gehaast
zoals
ik kwam. En met gebogen hoofd.
Ik
denk dat ze het aan me kunnen zien.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten