vrijdag 16 januari 2026

Knak

Soms, als ik een ‘knak’ hoor,
komt Ken in mijn gedachten,
en hoor ik het knakken
van zijn knokkels
van al zijn vingers.

Ken knakte zijn knokkels
het liefst als hij naast je stond:
knak, knak, knak, knak
ging het dan, obsessief,
elke keer weer, linkerhand,
knak, knak, knak. 

Rechterhand, knak, knak, knak.
En ik bevroor dan altijd even
en telde het aantal knakken mee;
hoeveel moet hij nog,
wanneer is het voorbij
wanneer is hij klaar? 

En hoezo had hij niet door
dat deze compulsie niet voor
gezelschap bedoeld was?

Knak, knak, knak, knak
'Ben je er niet een vergeten?’
vroeg ik wel ‘ns, maar dan keek
Ken de knakker mij niet begrijpend aan,
en ging weer van knak, knak, knak.

Ken knakte al jaren zijn vingers
volgens dagelijkse routine, geen dag
zonder knak, en dat tien keer, in
gezelschap of niet, de dwang moest
bezworen, gehoorzaamd, knak, knak.
en werd daarom meewarig aangekeken.

Dus, jongens, meisjes, wees geen Ken.
Knak geen knokkels, wees geen rare knakker.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten