Soms, als ik een ‘knak’
hoor,
komt Ken in mijn gedachten,
en hoor ik het knakken
van zijn knokkels
van al zijn vingers.
Ken knakte zijn knokkels
het liefst als hij naast je
stond:
knak, knak, knak, knak
ging het dan, obsessief,
elke keer weer, linkerhand,
knak, knak, knak.
Rechterhand, knak, knak, knak.
En ik bevroor dan altijd even
en telde het aantal knakken
mee;
hoeveel moet hij nog,
wanneer is het voorbij
wanneer is hij klaar?
En hoezo had hij niet door
dat deze compulsie niet voor
gezelschap bedoeld was?
Knak, knak, knak, knak
'Ben je er niet een vergeten?’
vroeg ik wel ‘ns, maar dan
keek
Ken de knakker mij niet
begrijpend aan,
en ging weer van knak, knak,
knak.
Ken knakte al jaren zijn
vingers
volgens dagelijkse routine,
geen dag
zonder knak, en dat tien
keer, in
gezelschap of niet, de dwang
moest
bezworen, gehoorzaamd, knak,
knak.
en werd daarom meewarig
aangekeken.
Dus, jongens, meisjes, wees
geen Ken.
Knak geen knokkels, wees geen
rare knakker.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten