Had ik al eens verteld over
dat we vroeger haast een kameel hadden gehad, nee? Mijn vader had vroeger een
beetje een bijzondere hobby: hij fokte Chinchilla’s.
Chinchillas zijn kleine knaagdieren, konijntjes, cavia’s met een
superzachte vacht. En dat is dan ook de reden dat ze gefokt worden: voor hun
pels, voor hun bont.
Als ze groot zijn kan hun
vacht eraf gestroopt, en daar kun je dan weer aardige, dure, tweedehands mantels
van maken. Voor het eraf stropen, moeten die lieve beestjes die je zo lekker
kunt aaien, zo zacht als fluweel, wel eerst dood natuurlijk, anders is het
villen het te pijnlijk.
(Alhoewel, ik heb wel ‘ns filmpjes
gezien op internet uit China, waar pelsdieren levend gevild worden. Ik ga er
niet nog een keer naar kijken, en ik doe hier maar ook geen linkje, want het is
te wreed voor woorden).
Ik denk trouwens dat mijn
vader het doel van het fokken voor ons onbekend hield, dat zou wel ‘ns te hard
kunnen landen in een kinderziel immers.
Enfin, mijn vader hield dus
een aantal Chinchilla’s in gazen kooien, wij hielpen wel met het verversen
van de flesjes water en het eten geven natuurlijk. Knaagdieren eten zo gezellig
met hun snuitje en pootjes.
Maar. Hij stopte op
een gegeven moment met het fokken. Waarom weet ik niet. Er kwam een advertentie:
Chinchilla’s te koop, plus kooien. Nu was het wachten op reacties.
En die kwamen. Tijdens het
avondeten, toen we allemaal aan tafel zaten, zei mijn vader dat er iemand had
gebeld die had gevraagd of de Chinchilla’s ook geruild konden worden – tegen een
kameel. Wij zagen het al helemaal voor ons: een kameel, van ons. Ja, gaaf, daar
kon je tussen die bulten heerlijke ritjes op maken in het dorp, de straat uit, misschien
kon de kameel wel mee naar school, juichten we.
De Chinchilla’s zijn
uiteindelijk gewoon, met hun kooien verkocht. De kameel hebben we nooit gezien.
Toch moet ik er nog wel ‘ns aan denken, aan die kameel in onze achtertuin.