maandag 21 december 2015

Voor Maria


Ik dacht aan het leven dat ik had kunnen leiden,
maar dat ik niet gekozen heb. Wat is daarmee gebeurd,
wat doet dat nu, is dat nog steeds op zoek naar mij?
En drijft dat nu in het ijle rond, radeloos op zoek?

Wat als ik toen niet links- maar rechtsaf was geslagen?
Waar had ik dan gewoond, 
welke vrouw had ik dan ’s avonds gekust?
Wie had ik op straat dan moeten groeten,
waar was dan mijn favoriete kroeg,
waar woonden dan mijn vrienden?
Welke hartstochten zou ik dan belijden?
Aan wiens graven zou ik hebben gestaan?
Zou ik dan een kind of twee hebben gehad,
of zou ik keihard zijn gescheiden?
Met wie zou ik dwepen,
en met wie had ik dan ruzie?
En welke stommiteiten zou ik uithalen.
welke kansen zou ik dan laten liggen?
Wie was ik dan geworden?

Tijd is een balletje in een roulettetafel.
Tijd is een slak en soms Max Verstappen.
Tijd is een willekeur, een variabele,
en geen constante. Er is een keuzemenu,
er is geen keuzemenu - er is, weet ik het -
ik sloeg destijds linksaf, ik wist niet wat ik deed -
ik wist wel wat ik deed: jij moest daar zijn, ergens.

zondag 20 december 2015

Man met ballonnen



Er loopt een man met ballonnen door de straat.
het lijkt alsof hij naar een feestje gaat.
Maar zijn gang is gebogen, alsof hij gebukt
onder zijn last van omhulde lucht gaat.
Hij is al laat, hij versnelt zijn pas.
De ballonnen dobberen
boven zijn hoofd mee.
Er klinkt geen muziek er zijn geen clowns,
er zijn geen slingers en confetti.
Er is alleen die man met zijn ballonnen.
De lucht van rubber omringt hem
en is nog steeds te ruiken
als hij de hoek om is.

woensdag 16 december 2015

Nu restaurant met hippe bediening



Je ging uit eten aan de haven,
pal aan de steile kade, je keek zo,
het was eb, een meter of wat naar beneden.
En rook het slib, het zilt, het zout, de zee, 
de vis, je hoorde het ruisen van de zee,
je zag dat late bootje dat koers zette naar de wal.
De serveerster had blote armen,
en was mager, terwijl toch eten voldoende,
zou je denken. Je vermoedde  een probleem,
of meerdere, uit het verleden. Wellicht specifiek
een eetprobleem, of dat ze rookte,
dat kon ook. Een ziekte kon ook nog, maar,
je wilde het positief houden: dat ze in training was,
voor een marathon, of, vooruit, voor de halve.
Er stond een verhaal op haar armen,
je probeerde de afbeeldingen en teksten
te lezen en te duiden. Je zag een naam,
en nog een naam. Je zag inkt,
maar vooral een gat in haar ziel.
Bij je biertje, bij het voorgerecht,
bij het hoofdgerecht, bij het dessert,
en bij de koffie. De plaatjes en namen
bleven over je tafel schuiven.
Je zag de zon ondergaan,
je hoorde de meeuwen weemoedig
hun kreten slaken.
Maar jij dacht enkel aan die
getatoeëerde bleke staken.


 



vrijdag 11 december 2015

Nostalgie, ik weet het niet



Nostalgie, ik weet het niet,
De tijd dringt en jij bent er niet,
Wel de C60 en C90 bandjes,
Zien is horen in dit geval.
Wat kunnen die bandjes janken.
En ik word die cocon van toen ingezogen
Maar jij bent daar niet. Waar ben je gebleven?
Ik heb nog een doos vol brieven op zolder staan.
Ik zie je op foto’s met je beugelbekkie,
Lachen dat we toen deden.
De tijd heeft aan je geknaagd,
Of waren het de muizen?
Er zit een tijdslot op mijn hart,
Ik kan er niet bij,
jij bent er niet.

[noot van de dichter: ....nee, dit is niks. Hier moet ik nog wat aan veranderen en verbeteren. 
Zo is het niet af. Ik kom hier nog op terug.]



vrijdag 4 december 2015

Lissabon



Je zat in een visrestaurant en de ober leek ook op een langoustine. Je had tong besteld, voor pens, hadden ze ook, had je het lef niet. Aan het tafeltje naast je zat een man, hij tekende noten op bladmuziek. Tussen twee stoelen door zag je haar. Of eigenlijk zag je alleen haar oog. En dat ze met haar vingers eindeloos rondjes draaide met d’r haar. Je kon gelijk nergens anders meer naar kijken. Achterin het restaurant zat aan een tafel met een zeiltje, een vrouw aardappels te schillen. Buiten, op het terras zaten, hoog boven je, pauwen in de bomen. Het was, op twee dagen na, december, en het was warm. Er hing een vreemde rust in de stad, of was je gewoon ontspannen? De stad hier was een ansichtkaart. De tram was klein en reed leeg door de straat, niemand wilde nog ergens naartoe. De bedelaars waren traditioneel gecast. Eentje collecteerde voor de reparatie van zijn schoen. Maar er waren er ook zonder voeten. En zigeunerinnen met foto’s van hun kinderen. En er waren bedelaars die op karton schreven dat ze doof waren. Of blind. Of onmiskenbaar behept met een psychiatrische aandoening. Zonder uitzondering hadden ze allemaal een slecht gebit. Bij de oever van de rivier werd er naar mosselen gezocht. Je werkte de highlights in rap tempo af. In het patroon van het metronet dacht je een mannetje te zien. In de kerk werd er gestofzuigd tussen de banken. De voorste banken waren gestoffeerd, dat kende je nog niet. Je schreef een kaartje aan je moeder. Op je andere ansichten kwam dezelfde tekst. Ze kenden mekaar toch niet.

De stad bleek groter dan je dacht, je voeten gloeiden. In het klooster liet je je fotograferen bij de tombe van de beroemde dichter. Je vond het meer een informatiezuil. De dichter zag je niet hier.

De fado die je, o cliché, steeds angstvallig en met succes wist te ontwijken, kwam onverwachts en ongevraagd toch op je weg: je zat ’s avonds in een café, het deed je niks. Je keek naar buiten waar de standbeelden stonden: alleen de sokkels waren verlicht, alsof er iets verborgen moest. Wat gebeurde er hier eigenlijk? Toen werd het je opeens droef te moede.

Het hotel had een lift, maar die vertrouwde je niet. Het bed knisperde ’s nachts. ’s Ochtends had je de molton opgelicht: men had een plastic steeklaken om de matras gevouwen: die was volkomen verpulverd en vergaan. Je kreeg jeuk. Uit je raam zag je de rozenverkoper, de drinkebroers, de zonnebrilverkoper, de kastanjepoffer en de gootligger. ’s Nachts droomde je dat je stripverhalen tekende, best goede. Ook waren er de nachtelijke straatroepers, daar werd je wakker van. Ook van je bloedneus die je had gehad. Het kussensloop was rood bevlekt.

In het vliegtuig terug las je over een jong overleden dichter in een oude Tirade. Iedereen vond hem sympathiek. Er was storm, er was turbulentie, het vliegtuig bonkte en wiebelde.
Je landde, je was, vaste prik, je paspoort weer ‘ns kwijt.

donderdag 3 december 2015

En dan ben je er niet meer



En dan ben je er niet meer: omdat je dood bent.
De ruimte die je achterlaat wordt zwart gekaderd.
Je ontbreekt en het missen is abrupt.
We improviseren ons een eind weg
in de rituelen, we maken er wat van.

Wij kunnen denken en doen wat we willen,
we vullen een kerk, we maken een stoet,
we hebben een playlist, we bezweren het gemis,
we roepen je op, de sprekers zijn begenadigd,
we hebben filmpjes, je stem, je motoriek.

We hebben bloemen en zijn voor de gelegenheid gekleed,
met gestreken broek en blouse met  gestropte das,
we hebben een gelegenheidsgedicht dat rammelt,
maar wel ontroert, je zou ons ‘ns moeten zien nu,
je hoort het even, als onze stem breekt,
als de armen om de schouders geslagen worden,
als de blikken neerwaarts gaan, als de afweer faalt:
maar we filmen, wat dacht je? En we zingen,
en we drinken, want wat moet je.

Maar jij komt ondanks dit alles niet terug,
want je bent dood, je bent er niet meer, je bent dood.
Je laat een leegte na, je laat ons na.
Het leven is de buitenkant van de dood,
hij was er al de tijd al, maar we zagen niet.
Of is dat weer een holle frase?
Waar was ik, o ja, je bent er niet meer,
en dat gaat zo blijven.

maandag 16 november 2015

Ontmoeting met God



Hij ging net voor mij binnen in de snackbar,
hoorde hem zijn bestelling plaatsen:
“drie patat speciaal, twee frikandellen en een kroket,
en een pakje Stuyvesant Menthol,
gelijk maar even afrekenen?”

Daarna draaide God, want Hij was het,
zich om, haalde zijn mobieltje tevoorschijn,
gooide wat munten in de gokkast,
en sloot zich gelijk af voor de wereld.
Zijn zoontje stond wat verloren naast Hem.


maandag 9 november 2015

Klein meisje met roze jurkje



















Kijk ‘ns wie we daar hebben,
als dat Myeisha niet is. Wat is ze stil,
ik had haar niet gehoord, slaapt ze?
Nee, ze slaapt niet, ze wiegt een beetje,
ze wiebelt een beetje heen en weer.
Ze droomt van lang en gelukkig.
Leven is een zorg van vroeger,
alles kan ze nu vergeten.
Maar waar is iedereen?

Ze draagt, onder dat roze jurkje,
een groene broek en lila schoenen.
Ze reikt, naar wat reikt ze, naar dat visje
dat bij haar in de buurt zwemt,
zou ze dat zien? Wat is ze stil.
Myeisha! Myeisha! Ze hoort me niet.
Ze rekt zich uit in de golven,
klein meisje met roze jurkje.
Toe water, stop haar zachtjes in,
toe water, dek haar eeuwig toe.