zondag 25 september 2016

Ze had voor een blootblad geposeerd

Ze had voor een blootblad geposeerd,
toch wel erg bekend, ze lag te kijk
bij de Bruna, bij de kiosk op het station:
borsten, het hemelpoortje, alles.
Ze deed met die andere blote meiden
alsof ze een eindexamenklas was, die poses,
die setting, in dat schoolbankjes-decor,
dat zag de lezer dan graag, had de redactie
gedacht, maar het was het geld dat ‘t ‘m deed.
Toch, haar vriend verliet haar kort daarop.
Daarna was ze gevraagd voor de kerk,
als Maria, ze stond daar uren,
met een pop in haar armen,
van top tot teen in doeken gehuld.
Kijk, daar staan ze, in die nis.



zaterdag 17 september 2016

Ze hoopte dat alles zo zou blijven

Ze hoopte dat alles zo zou blijven,
zou blijven zoals het was.
Steeds dezelfde leerlingen,
in steeds dezelfde klas.
En dat haar buurjongen niet zou verhuizen,
en dat haar ouders gingen voor eeuwige trouw.
Dat haar vriend haar vriend zou blijven,
en haar nooit verlaten zou.
En dat haar collega nooit elders
solliciteren zou. Ze wilde dat
alles zou blijven zoals het was.

Ze hoopte dat alles zo blijven zou.
Dat het feestje geen einde hebben zou.
Dat die zomer eindeloos duren zou,
dat de winter eindeloos duren zou
en nooit zou overgaan, hoogstens dan
vooruit, in een eindeloze zomer,
die nooit zou overgaan, hooguit dan in –
Ze hoopte dat het einde uit zou blijven,
ze hoopte op de eeuwigheid,
en dat die altijd blijven zou.

dinsdag 13 september 2016

Kommetje krekels

Had het gister helemaal gehad met die zomer,
die zon en die alom vertegenwoordigde insekten
en kocht een zakje gedroogde krekels.
Tien gram, licht gekruid met o.a. Chili peper
en wat kruiden- zonder- naam, 3 euro 50.
Pilsje erbij voor de zekerheid, maar krekels,
ze tsjirpten niet en waren wat droog misschien,
minder bite dan een borrelnoot, kraakten
minder dan een kroepoekje, maar toch minder
afschrikwekkend dan, pakweg, een handje meelworm.
Nee, krekels, leuke end-of-summer-snack.
Ik had mijn daad gesteld,
laat nu die herfst maar komen.

zaterdag 3 september 2016

Eerste kastanjes

Gisteren, amper september, de eerste kastanjes geraapt.
’s Avonds om negenen, de lamp al aangedaan.
Vanochtend, per ongeluk, mijn schoen
op een krekel gezet. Het was waarschijnlijk
de laatste: het werd stil in de tuin.

Bladeren kleuren in geel en rode tinten.
De zon jaagt het laatste zoet de druiven in.
Onrust kriebelt: er moet een bief geschreven, 
er wacht nog een gedicht, een boek moet uit. 
Er moet in huis worden geklust, er moet geïsoleerd.
Maar morgen wacht eerst, ze is al oud en vergeet
steeds meer, mijn moeder een bezoek.

donderdag 25 augustus 2016

Vanmiddag weer je graf bezocht

Vanmiddag weer je graf bezocht,
Je bent daar niet, dat weet ik wel;
we hebben je lichaam daar begraven.
Jijzelf bent continu in mijn gedachten.

Ik hoop je altijd een beetje bij te praten:
die zijn gescheiden en zijn kind is ontspoord.
Je vrienden van toen, die zie ik nooit meer.
Een ervan is dit jaar overleden. Misschien
dat jullie elkaar alweer hebben ontmoet.

De stad verandert, de Lange B. was weer ‘ns
opgebroken en het Stationsplein staat op z’n kop.
De rijrichting van de Leusensteeg en de Kuiperstraat
hebben ze omgedraaid. De Tor bestaat al lang
niet meer en ook De Elegast is nu gesloten.
De tap in De Heks staat nu overdwars.

Ik heb onkruid gewied, je steen gepoetst
en lavendel geplant. Tot slot heb ik met de
gieter de plantjes begoten. De tijd staat hier
eeuwig voor je stil tussen die twee jaartallen,
ze liggen veel te dicht bij elkaar.

Soms zie ik je weer lopen op straat: een kapsel,
een zelfde postuur of motoriek. Dan herken ik
je kleding of meen ik een gelaatstrek…
maar altijd heb ik het mis, ben jij het niet,
is mijn adem weer voor niets gestokt.

Ik fiets zometeen weer terug, jij blijft hier.
Ik zeg tot ziens, of denk het in ieder geval.
Het heeft allemaal zo godvergeten weinig zin,
mijn bezoek, het gieten en de plantjes, maar
bovenal, dat jij hier al meer dan dertig jaren ligt.


zondag 21 augustus 2016

Voor J., M., A., en L.

Kunnen we voor een volgend leven niet afspreken,
dat we allemaal tegelijk weggaan op het eind?
Dat we allemaal gezamenlijk de hele rit uitzitten?
Dus niet meer zonder aankondiging, slechts met achterlating
van een cassettebandje, er uitstappen voor je dertigste.

Dat we mekaar niet het verdriet bezorgen
van berichtjes en kaarten, dat we elkaar niet
moeten bezoeken in ziekenhuizen
of mekaar zien liggen, opgebaard thuis.
Blijf je zitten met dat bitter, bitter einde.

Dus let op, als je in de laatste auto van de file zit,
dat die vrachtauto niet vanachter op je knalt, en jij daar,
met je vriendin erbij, verbrandt. Laten we elkaar dat niet
aandoen, niet die bodemloze put stikvol gevuld met verdriet.

En laten we elkaar heel laten en niet om zeep helpen
met messteken, alsjeblieft, eindig niet in een bloedbad,
dat levert alleen verbijstering en verliezers op.
En kunnen we ook afspreken dat je niet,
krap een half jaar na je geboorte, er tussenuit piept,
in een ziekenhuis. En dat je in een klein kistje,
bloemetje in je hand, wordt thuisgebracht. Even ‘dag’ zeggen,
kusje, tot nooit weer. Wat is dat nou?

Kunnen we voor een volgend leven niet afspreken,
dat we allemaal tegelijk weggaan,
als het eind in zicht komt? Dat we allemaal
gezamenlijk de hele rit uitzitten?



vrijdag 12 augustus 2016

De tranen van de Olympiërs

Of ze nou winnen, of als ze nou verliezen,
voor ons maakt het niks uit: wij zijn altijd paraat,
we staan altijd klaar om te stromen.
We zijn altijd standby, we zien de tragedie,
we zien de overwinning, vanaf de eerste rang.
Als de atleet breekt, als zijn droom vervliegt,
als de pees knapt, als de val wordt ingezet,
als zijn ziel wordt afgevoerd, op ons kun je rekenen.
Als het volkslied klinkt, als de tijd in beeld komt,
wij zijn erbij. Wij zitten vooraan, in de startblokken,
niet te stelpen. Knappe jongen die ons tegenhoudt.