We gingen naar Diepenheim om daar het jaarlijkse Kunstmoment bij te wonen, de route te fietsen, de kunst te bekijken. En dus huurden we een huisje in het buitengebied, tussen Diepenheim en Gelselaar, en sjorden we de fietsen op de auto.
‘s Ochtends bij het vertrek was ik niet op mijn best: ik zat te veel in mijn hoofd en was veel te vroeg wakker, wat voor een nachtportier altijd een klein rampje is. Dus ik was niet in de meest relaxte chille mood toen we vertrokken.
Enfin. We kochten een gidsje van de expositie, haalden de fietsen van de auto en gingen over de lange oprijlaan naar kasteel Het Nijenhuis, om daar gelijk verrast te worden door misschien wel het beste wat op er op deze editie van Kunstmoment te zien is: de foto’s en werken van Jasper Abels in het Koetshuis.
Jasper Abels had met hulp van de Amersfoortse handwerkmeisjes, een complete set, een interieur, ingepakt in borduurwerk: een bijl, een hobbelpaard, een vaas, een etalagepop, een tafel met serviesgoed, de stoelen, de kopjes, de borden, de glazen, de muis op de vensterbank – alles. Het was adembenemend.
Op de tweede locatie op het kasteelterrein, de timmerwerkplaats, kocht ik een porseleinen maskertje. Ik werd aangestaard door een gezicht zonder ogen van kunstenares Winneth Sala. Het werkje moet nog z’n plek krijgen in mijn huis: waar moet die blik naar toe?
Het Kunstmoment van Diepenheim had dit jaar 48 locaties. Toen we maandag weer vertrokken, had ik er 47 van bezocht. (En nummer 48 zag ik via een schermpje).
Had ik al verteld dat ik deze kunstroute aflegde op mijn nieuwe (tweedehands) fiets, een steenrode Santos? En dat fietste heerlijk (sorry, goeie ouwe Giant Expedition, nu te koop bij De Lepra Stichting in Deventer). En, het is een fiets zonder batterij, ik vermeld het er maar bij.
Op de zolderverdieping van de Timmerwerkplaats, exposeerde Hugo Vernhout. Hij had zijn sup geëxposeerd. Waarmee hij al jarenlang vaart. En niet alleen zijn sup, maar ook de vaargeschiedenis bracht hij mee: hier lagen de ballen, groot, klein, oud, nieuw, vergaan, die hij al peddelende uit het water had gevist. Een waanzinnig gezicht. Het was moeilijk om hier je aandacht rustig te verdelen over wat je zag: tennisballen, voetballen, pingpongballen, volleyballen, basketbalballen, en dat in alle kleuren – alles kleefde om de sup heen.
Deze middag zagen we nog mooie kunst van Lotje de Lussanet, Judith Veldhoen, Floor Spigt, Daisy Kimman, Yolanda van Dongen, Nelleke Huissen, Richard van der Galien, Leontien Kurpershoek en Ruud Koenders.
‘s Avonds aten we in het restaurant bij de watermolen: Den Haller. En de ontspanning daalde langzaam in mij neer en nam bezit van mij. En hoorde ik daar ook niet de heggemus?
Terug bij het natuurhuisje, hoorde je de eenden kwaken en plonzen, de vogels twitteren en de zon scheen.
(Wat je wel een beetje zorgen baarde: in het weiland, en het was nogal een groot grasland, tegenover het huisje, zat in z’n eentje een zwaan. Zonder zijn of haar partner, metgezel? Dit ene witte watje in het weiland deed haast pijn, want eenzaamheid werd zelden prangender verbeeld).
Op dag twee zagen we collages in een serre, een paard in een huiskamer, en de schepping in een schuur. En we fietsten heerlijk over de onverharde wegen. Maar, even onder ons, de sensatie van de eerste dag, het gevoel van verrukking van gisteren, nee, dat was afwezig en liet zich deze dag niet mee zien.
Lag dat aan ons, of lag dat aan de kunstwerken?
Bij restaurant De Viersprong at ik deze avond de forel, net als verleden jaar. En dat gaat hier dus in alle rust: er klinkt geen muziek door de ruimte.
En de zwaan lichtte wit op in het weiland.
Op dag drie, de laatste dag kwamen we nog een aangename verrassing tegen: klei, gebakken klei. Dat was het werk van Cecil Kemperink. Het leuke is: haar werk siert de voorkant van het gidsje, maar ik had eigenlijk geen idee wat ik daar zag. Dat blijken dus gebakken ringen van klei te zijn. Met bewonderingswaardig geduld en precisie door Cecile in elkaar gezet te zijn. Kettingen van klei, hangers van klei, gordijntjes van klei. En, weer wat geleerd die dag: klei is helemaal niet zo kwetsbaar. Je kunt zo’n ketting van klei gewoon oppakken en laten ritselen, rammelen en ruisen. Geen paniek, er gebeurt niets mee, ik hoef niet steeds te denken, pas op nou, zo meteen gaat het stuk, het blijft intact.
Joep van Lieshout was deze editie vertegenwoordigd met drie ruimtelijke werken, allemaal van polyester: de haan bij kasteel Westerflier, de industriële hamer bij kasteel Nijenhuis en de darm, waar je in kon, bij Herberg de Pol.
Nou wil het dat wij, het was 13 maart 2020, overnacht hebben in een kunstwerk, in een grote polyester darm van Van Lieshout. En dat was op het terrein van de Verbeke Foundation, Vlaanderen. Ik weet dat nog zo precies, omdat de dag erna de Corona restricties in gingen. Net op tijd uit de darm weg.
Maar hier, in Diepenheim, kwamen de beelden me nogal lomp over, weinig finesses, niet echt mooie kleuren, geen aantrekkelijk materiaal. Beetje goedkoop ook.
In de kelder van BasementPress had ik haast nog een print van een uitgebloeide paardenbloem gekocht. De eindigheid in zwart wit verbeeld. Prachtig werk. En er was een indringende prent die een vluchtelingenkamp verbeeldde die mijn aandacht trok. Maar ik heb ze beiden laten liggen, sorry. Krijg ik vast spijt van.
Diepenheim sloten we af met asperges bij Irma’s tegenover het pand van Janna.
De zwaan zat toen we ’s avonds afsloegen naar ons huisje, als een witte stip alleen in het weiland.







