zondag 25 januari 2026

Klarendalseweg Arnhem


Je was een dagje in je oude woonplaats geweest,
koud uit het station gestapt, zag je op straat
al een oude bekende, hij bewoog zich nu achter een rollator,
je rekende het uit, je vertrek was precies een half leven geleden.
De boel was opgeknapt, er was leven, er was een brouwerij,
de molen draaide, het stemde je vrolijk, er wachtte je een kwartier,
een folder, een route, je zag, maar  je wist niet wat je zag.
Hier waren toen de drugs, de foute, de straatroven
de misdaad, de straten, de junks die je niet wilde.
En moet je nou kijken, je ging omhoog, De Toverberg op.
(Ook al zag je nog wel een surviver op de fiets, doorgroefd
gezicht, reggae-muts, baardje, maar hij hield zijn pad recht).
En je keek bij graffiti-archeologie van decennia terug,
was het nostalgie, had het buiten dat nog waarde?
Je kocht een blouse, kleine oplage, je zag de naaimachine.
De straat die zinderde van leven, het was aanstekelijk.
Er was kunst hier, er waren collages daar, assemblages.
Er waren tekeningen, inkt, penselen, doeken – verf.
En je eindigde bij het restaurant, Eritrees, (weliswaar een eindje
verderop, op De Markt,  maar hee, wie gaat er over dit gedicht?)
waar je lekker met je handen mocht eten, en waar aan twee tafels
de mannen hun trui gaven aan hun vrouwelijk gezelschap: koud.
(En op de rekening stond handgeschreven: bedankt. Je dacht,
terwijl je bij de kapstok je jas zocht: ja, dat is geheel wederzijds).

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten