Je was een dagje in je oude
woonplaats geweest,
koud uit het station gestapt,
zag je op straat
al een oude bekende, hij
bewoog zich nu achter een rollator,
je rekende het uit, je
vertrek was precies een half leven geleden.
De boel was opgeknapt, er was
leven, er was een brouwerij,
de molen draaide, het stemde
je vrolijk, er wachtte je een kwartier,
een folder, een route, je
zag, maar je wist niet wat je zag.
Hier waren toen de drugs, de
foute, de straatroven
de misdaad, de straten, de
junks die je niet wilde.
En moet je nou kijken, je
ging omhoog, De Toverberg op.
(Ook al zag je nog wel een surviver
op de fiets, doorgroefd
gezicht, reggae-muts, baardje, maar
hij hield zijn pad recht).
En je keek bij graffiti-archeologie
van decennia terug,
was het nostalgie, had het
buiten dat nog waarde?
Je kocht een blouse, kleine
oplage, je zag de naaimachine.
De straat die zinderde van
leven, het was aanstekelijk.
Er was kunst hier, er waren
collages daar, assemblages.
Er waren tekeningen, inkt,
penselen, doeken – verf.
En je eindigde bij het restaurant,
Eritrees, (weliswaar een eindje
verderop, op De Markt,
maar hee, wie gaat er over dit
gedicht?)
waar je lekker met je handen mocht eten, en waar aan twee tafels
de mannen hun trui gaven aan hun vrouwelijk gezelschap: koud.
(En op de rekening stond
handgeschreven: bedankt. Je dacht,
terwijl je bij de kapstok je
jas zocht: ja, dat is geheel wederzijds).

Geen opmerkingen:
Een reactie posten