zondag 25 januari 2026

Klarendalseweg Arnhem


Je was een dagje in je oude woonplaats geweest,
koud uit het station gestapt, zag je op straat
al een oude bekende, hij bewoog zich nu achter een rollator,
je rekende het uit, je vertrek was precies een half leven geleden.
De boel was opgeknapt, er was leven, er was een brouwerij,
de molen draaide, het stemde je vrolijk, er wachtte je een kwartier,
een folder, een route, je zag, maar  je wist niet wat je zag.
Hier waren toen de drugs, de foute, de straatroven
de misdaad, de straten, de junks die je niet wilde.
En moet je nou kijken, je ging omhoog, De Toverberg op.
(Ook al zag je nog wel een surviver op de fiets, doorgroefd
gezicht, reggae-muts, baardje, maar hij hield zijn pad recht).
En je keek bij graffiti-archeologie van decennia terug,
was het nostalgie, had het buiten dat nog waarde?
Je kocht een blouse, kleine oplage, je zag de naaimachine.
De straat die zinderde van leven, het was aanstekelijk.
Er was kunst hier, er waren collages daar, assemblages.
Er waren tekeningen, inkt, penselen, doeken – verf.
En je eindigde bij het restaurant, Eritrees, (weliswaar een eindje
verderop, op De Markt,  maar hee, wie gaat er over dit gedicht?)
waar je lekker met je handen mocht eten, en waar aan twee tafels
de mannen hun trui gaven aan hun vrouwelijk gezelschap: koud.
(En op de rekening stond handgeschreven: bedankt. Je dacht,
terwijl je bij de kapstok je jas zocht: ja, dat is geheel wederzijds).

 

donderdag 22 januari 2026

Leonard Nolens is overleden. Alweer bijna een maand geleden

 

Leonard Nolens is overleden. Alweer bijna een maand geleden, op 26 december, Tweede Kerstdag dus, 2025. 

Ik maakte kennis met Leonard Nolens op het jaarlijks kunstfestival in Watou. Daar stond een gedicht van hem op een muur, een van de ‘wij-gedichten. Ik viel daar toen wel voor, en kocht de bundel waar dat gedicht in stond Bres. En met die bundel won Leonard Nolens de VSB Poëzieprijs in 2008.

Wji-gedichten, noemde ik de reeks, die twintig verzen, van soms wel meer dan een pagina, allemaal gesteld in de wij-vorm. Alsof er een koor van stemmen tegen de lezer spreekt, dwingend.

Van vers # 14 citeer ik:

Wij waren de open wond
Van een gesloten boek
Wij waren de dichte mond
Van een open vraag.

En van # 16 

Wij werden niet eenvoudig geboren
Wij werden niet eenvoudig
Wij werden eenvoudig niet

En van # 18 

Wij droegen op onze schouders de groeiende last
Van de zoon die we werden, wees
Die woedend zijn weg zocht in andermans bedden
Wij gaven een naam aan de dochter die zwol
In je kloppende schoot van onze verbeelding
Wij liepen ’s nachts door de stad van de meesten

En ik heb die bundel, niet helemaal toevallig, want van de meeste VSB-poëzieprijswinnaars heb ik wel de bundel gekocht  en daar staat het volgende gedicht in:

 # 20 (uit de reeks: Wij waren de zwijgers na vijf mei vijfenveertig)

 

Wij waren weinigen
Wij hadden uniek uit de hoogte
Van onze pretentie ons dorp gedropt
Wij zakten af uit de gore provincie
Naar bont gefilmde houvasten van centra.
Wij bleven uniek, unaniem en universeel vereenzaamd achter 

In de zaal.
Wij waren sommigen.
Wij werden erop los geleefd.
Er was geen lus om ons verstand.
In onze losbandigheid zat geen rek.
Centraal stonden wij nergens.

Wij waren enkelen.
Wij hadden geen vanzelfsprekende inhoud.
Van jou, van mij, wij hielden met moeite
Van ons, wij hielden onds niet vast.
Wij hielden het niet uit
Wij hielden het niet vol.

Wij waren anderen.
Ons individu stond in brand als het dagboek.
Van een terrorist in de woestijn verdwaald.
Ons volksgevoel schoof in zijn huiskamer op
Naar rechts en las kranten met kokende ogen
Herschreven. 

Wij waren weinigen. Sommigen. Enkelen. Anderen.
Kunstenaars waren gespecialiseerd
In verdwijnen, dichters werden ervaringswetenschappers
Van het wit, en niemand had iets te zeggen.
Niemand had iets anders te zeggen dan niemand.
Politici stemden ons weg.

 

uit zijn wiki

Hij was een romanticus, schreef vaak over liefde en over de manier om aan de identiteit te ontsnappen. Zijn vroege werk wordt getypeerd als barok, experimenteel aandoende gedichten. In de loop der jaren trad er een versobering op in zijn werk en kreeg het een meer parlando-achtige toon. Nolens werd beschouwd als een van de belangrijkste dichters uit het Nederlandse taalgebied. Hij werd regelmatig genoemd als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur.

Van de achterflap van de bekroonde bundel Bres, noteren we: In Bres in een bovenpersoonlijke dichter aan het woord die onomwonden poogt een tijdgeest te doorgronden. (haha, onomwonden, doorgronden, dat rijmt, MvH)


zondag 18 januari 2026

Ook ik liep een metertje voor mijn verdriet uit

Michiel van de Pol heeft een stripverhaal, een graphic novel over zijn moeder gemaakt, over de laatste jaren van zijn moeder. Want Rietje van de Pol is op 88 jarige leeftijd overleden. En in haar laatste jaren was Michiel haar mantelzorger. Het maken van dit boek bood hem veel troost. 

Van de Pol, die eerder dit jaar de Stripschapsprijs won, werkt in een tekenstijl die nonchalant oogt maar toch heel precies is. Zijn specialiteit zijn de beeldmetaforen waarmee hij hele pagina’s vult, aldus De Volkskrant.

Bovenstaand plaatje stond bij de recensie in Trouw, afkomstig uit zo’n pagina vullende beeldmetafoor. Behalve dat het heel aandoenlijk getekend, is, trof mij de tekst. Die vond ik zo treffend en origineel: ook ik liep een metertje voor mijn verdriet uit. Ik wou zeggen, je ziet het voor je, en dat klopt: het is getekend, je ziet hem daar een metertje voor zijn verdriet uitlopen - hij maakt een verloren indruk.

Michiel van de Pol
Mantel der liefde
Scratchbooks

184 bladzijden
24,95 euro

 

zaterdag 17 januari 2026

Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis - aanradertje


 

  

Met dat lijpe gebermoedel graaien ze naar ze wereldmacht,
Ondermijnen ze de roebel. Dat heeft Chuchill zelf bedacht!
Een persbericht over die loeders hadden we gecomponeerd,
Maar toen kwamen ziekenbroeders en we werden gefixeerd.

Wie er dan nog miept en meiert werd aan bed gebimbambeierd
Waar een paranoia-lijerd loeide, het schuim stond op zijn bek:
‘Los die handdoek, labbezakken! Kleingelovige maniakken,
berrmudieven, bermuzakken, jullie bermuderen ons nog gek!’

Er is een bundel verschenen van de Russische troubadour Vladimir Vysotski, Vertaald door Robbert-Jan Henkes, verschenen bij uitgeverij Benerus, Antwerpen. 

De bundel, Instrucies voorafgaandaan een buitenlandse reis, is een tweetalige bundel: links de Russische tekst, rechts de vertaling.

(En, even over het boek zelf, het product, het ding: zo zie ik een object graag: stevig, stug, dit zal niet gauw uit elkaar vallen. Je komt het wel ‘ns anders tegen).

Om de achterflap van de bundel te citeren: De legendarische bard Vladimir Vysotski (1938-1980) werd 42 jaar en liet zo’n zeshonderd liedjes na. Ze werden bij leven in de Sovje-Unie, nooit op plaat uitgegeven en circuleerden alleen op magneetband en van mond tot mond. Toch kende iedereen ze: nog nooit was er iemand zo universeel beroemd en geliefd in het land.

Vladimir Vysotstki zong wat de mensen dachten, maar vaak niet konden of mochten zeggen. Zijn reikwijdte was enorm, en zijn inlevingsvermogen uniek. Hij zong over criminelen, teruggekeerde Goelag-gevangenen, kosmonauten, sporters, en alles in de eerste persoon, alsof hij het zelf had meegemaakt.

Robbert-Jan Henkes vertaalt hier een selectie (om mee te raspen, kraken, krassen, kwelen, mee te zingen, maar ook om te lezen, en je te laten meeslepen , niet alleen naar de krochten van de menselijke ziel, maar ook naar dat verre vreemde land – de Sovjet-Unie.

Het fragment hierboven is afkomstig uit het drie en een half pagina lange gedicht / brief / lied, getiteld: Brief aan de redactie van het tv-programma Overduidelijk Ongelofelijk, uit de psychiatrische kliniek Dymphna, en heb ik gekozen vanwege de psychiatrie, daar heb ik altijd een zwak voor.

 


 

vrijdag 16 januari 2026

Knak

Soms, als ik een ‘knak’ hoor,
komt Ken in mijn gedachten,
en hoor ik het knakken
van zijn knokkels
van al zijn vingers.

Ken knakte zijn knokkels
het liefst als hij naast je stond:
knak, knak, knak, knak
ging het dan, obsessief,
elke keer weer, linkerhand,
knak, knak, knak. 

Rechterhand, knak, knak, knak.
En ik bevroor dan altijd even
en telde het aantal knakken mee;
hoeveel moet hij nog,
wanneer is het voorbij
wanneer is hij klaar? 

En hoezo had hij niet door
dat deze compulsie niet voor
gezelschap bedoeld was?

Knak, knak, knak, knak
'Ben je er niet een vergeten?’
vroeg ik wel ‘ns, maar dan keek
Ken de knakker mij niet begrijpend aan,
en ging weer van knak, knak, knak.

Ken knakte al jaren zijn vingers
volgens dagelijkse routine, geen dag
zonder knak, en dat tien keer, in
gezelschap of niet, de dwang moest
bezworen, gehoorzaamd, knak, knak.
en werd daarom meewarig aangekeken.

Dus, jongens, meisjes, wees geen Ken.
Knak geen knokkels, wees geen rare knakker.


zondag 11 januari 2026

Sjroetsch, sjroetsch, sjritsch, sjritsch


Sjroetsch sjroetsch
Sjritsch sjritsch
Sratsch sratsch
Kloeng kloeng
Zoeng zoeng
Grietjs grietjs
Sjie sjie sjie sjie
Kratsch kratsch
Plok plok

Gratschsssssssss

De Singel was bevroren, de schaatsen konden van zolder.
Onder het bruggetje van het Vogeleiland door, en dan weer terug.
Maar ik zag tot mijn schrik, dat in het ijzer, het mes, van de linkerschaats een stuk ontbrak, er was een hapje uit, wanneer was dat gebeurd? (Maar wel een goed excuus om nieuwe schaatsen te kopen).

zaterdag 10 januari 2026

Trouw, verzetskrant


Vandaag, voor de derde keer op rij, lag er geen Trouw op de mat. 
Akkoord, er is vorst, er is kou, er ligt sneeuw er is gladheid, er is gevaar, maar.
Was Trouw vroeger geen verzetskrant? Een illegale krant die juist het gevaar opzocht, niet uit de weg ging? Die pal stond, principes had en vond dat een beetje risico erbij hoorde? 
Werd Trouw vroeger niet met gevaar voor eigen leven bezorgd? Wat nou, een beetje sneeuw? Wat nou, een paar graden vorst, wat nou, houten banden, wat nou nazi's, – de krant moet bezorgd.

😀 

Want heb ik jou in mij vergist?

Ik kwam een enorm geestig gedicht van Robbert-Jan Henkes (ja, die van Nachttrottoir) tegen op Ooteoote, ik schoot ervan in de lach. En, vervelend voor mijn omgeving: ik moet die leuke regel, die vondst, dat grapje, dan ook steeds herhalen: want heb ik jou in mij vergist? (jaha Michiel, nou weten we het wel). 

 (Klik hier voor het hele gedicht)

  

 Men heeft het altijd wel gewist:
het wordt steeds vroeger buiten
      – elke dag opnieuw weer niet –
want heb ik jou in mij vergist?
Het lijkt alleen nu nog met verdwijnverf te stuiten
      – maar niemand die het ziet.

vrijdag 9 januari 2026

ICE schiet dichter dood in Amerika

Minneapolis. De 37- jarige Renee Nicole Good  is afgelopen woensdag in haar auto doodgeschoten door de  Amerikaanse immigratiedienst ICE (Immigration and Customs Enforcement), die op illegalenjacht was, en drie kogels in haar hoofd schoot.

In 2020 won ze de prestigieuze Academy of  American Poets Prize met haar gedicht 

On Learning to Dissect Fetal Pigs:

i want back my rocking chairs, solipsist sunsets,

& coastal jungle sounds that are tercets from cicadas and pentameter from the hairy legs of cockroaches. 

i’ve donated bibles to thrift stores

(mashed them in plastic trash bags with an acidic himalayan salt lamp—

the post-baptism bibles, the ones plucked from street corners from the meaty hands of zealots, the dumbed-down, easy-to-read, parasitic kind):

remember more the slick rubber smell of high gloss biology textbook pictures; they burned the hairs inside my nostrils,

& salt & ink that rubbed off on my palms.

under clippings of the moon at two forty five AM I study&repeat

               ribosome
               endoplasmic—
               lactic acid
               stamen 

at the IHOP on the corner of powers and stetson hills—

i repeated & scribbled until it picked its way & stagnated somewhere i can’t point to anymore, maybe my gut—

maybe there in-between my pancreas & large intestine is the piddly brook of my soul.t’s the ruler by which i reduce all things now; hard-edged & splintering from knowledge that used to sit, a cloth against fevered forehead.

can i let them both be? this fickle faith and this college science that heckles from the back of the classroom 

               now i can’t believe—

               that the bible and qur’an and bhagavad gita are sliding long hairs behind my ear like mom used to & exhaling from their moths “make room for wonder”

all my understanding dribbles down the chin onto the chest & is summarized as:

life is merely
to ovum and sperm
and where those two meet
and how often and how well
and what dies there.

 

 

nisrine mbarki nieuwe Dichter der Nederlanden

 

Vandaag ging ik naar Praamstra (boekhandel hier ter stede, Deventer dat is, red.) om de dichtbundel ‘Oeverloos’ van Nisrine Mbarki Ben Ayad te kopen.

Ik wilde die bundel graag lezen, en hebben, want Nisrine Mbarki Ben Ayad, is vanaf 1 februari onze nieuwe Dichter der Nederlanden, ze volgt dus Babs Gons op, en ik kende haar niet. Dus kocht ik haar bundel, derde druk, 21,99 euro en een NRC, 4,70 euro, waarin een interview staat, niet helemaal toevallig, met haar. Dus, ja, ik ben helemaal voorbereid nu, helemaal op de hoogte.

In Praamstra was het nog wel zoeken waar haar bundel zou staan, want: waar eindigde de voornaam van de dichteres en waar begon haar achternaam? Ze bleek bij de M te staan, naast Hanny Michaelis. En op de voorkant van het boek heet ze: nisrine mbarki, dat scheelt al de helft bij het uitspreken.

En om maar gelijk met een spoiler alert te komen: de bundel en ik hebben samen een hele leuke tijd gehad. Tuurlijk, we waren het niet altijd eens, maar dat hoort erbij, maar het is een aan te raden bundel. Ook al meldde de boekhandel nog wel dat ik bofte met dit exemplaar, want verder uitverkocht.

Op de achterkant van de bundel staat als teaser een gedichtfragment: ‘terwijl de lynx zijn weg na driehonderd jaar naar ons land heeft gevonden’.

Nou ben ik van het factchecken. Maar Google kon dat niet bevestigen. Is de Lynx in Nederland? Nee. Maar ja, wat weet zo’n zoekmachine nou van poëzie?

De bundel is (tevens) opgedragen aan de aartsengel. Dat vond ik wel mooi.

De bundel opent gul met maar liefst vier motto’s, waaronder één in het Arabisch. Ja, die kan ik dus niet lezen, mekkerde een stemmetje  ergens in mijn hoofd. Maar. Achterin de bundel staat dat van al de niet Nederlandse teksten in de bundel, een vertaling te vinden is op de website van nisrine mbarki. Jammer wel dat dan het adres van de site niet vermeld staat. (En ik begrijp dat dit probleem in 2022 ook al bekend was. Als de schrijver/dichter geen moeite doet, waarom zou ik dat dan wel moeten doen? En er blijkt nu nog steeds geen eigen website te bestaan). 

Nisrine mbarki is deels opgegroeid in Nederland (Brabant) en Marokko. En dat vind je terug in haar gedichten.

In het openingsgedicht van de bundel beschrijft ze een zwart-wit foto van twee jonge mensen, begin jaren zeventig die bij haar aan de muur hangt. Geliefden, die zullen reizen en kinderen zullen krijgen. ‘ze heeft roodgelakte nagels’. Wat? Het was toch een zwart-wit foto? Hoe kan ze dan weten dat – ah, het zijn haar ouders. Ze heeft voorkennis, het zijn de nagels van haar moeder.

Het gedicht bestaat eigenlijk uit drie verzen, en beschrijft een toch wel wat roerige en dramatische jeugd. Niet altijd even leuk voor wie het betreft, maar het levert wel mooie gedichten op.

Het titelgedicht Oeverloos, bladzijde 27, kan ik hier wel publiceren, want dat zie ik ook op andere sites overal opduiken 

mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
zoals jij ook doet
wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest
wordt verduisterd
door nevel of kortsluiting
niet alleen in het regenseizoen
ook de zomer en de lente kennen hun abrupte wolkbreuken
razende moessons zelfs

mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
apathisch bewerkt mijn zus boomstammen met een scherpe bijl
en bouwt dammen
schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
haar zussen sussen door de telefoon
zeven tegelijk in moedertaal
haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden
die niemand ziet
terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken

de kleinkinderen proberen haar voor hun verjaardag uit te nodigen
maar oeverloos water kent geen kleinkinderen

regen wordt verbannen
artsen verbieden het wateroppervlak te spiegelen
alle onheilspellende woorden die ze niet verstaan
gooien ze overboord
schaduw en droom worden uit het woordenboek geschrapt
over de grens gezet
met morfine worden magische wezens verdoofd

de kracht van mijn moeder is ongekend en overstroomt spectaculair
het land
sleurt alles mee ondanks het leger maatregels van liefde

oevers zijn niet voor dromers
het verstand zal zwijgplicht krijgen
in stilte verzuipen
wezens zullen
vrij zwemmen

wij zijn water

wij vrezen onszelf

En de ellende werpt hier al zijn schaduw vooruit. Moeder heeft waarschijnlijk een psychose. En ja, in het volgende gedicht, Antropoceen, staat: ondertussen laat ik mijn moeder op de PAAZ opnemen.

Uit het gedicht op bladzijde 32 noteerde ik nog een huiveringwekkende regel: kinderen dopen hun brood in olijfolie en bleek.

(En bij de kipgrillmachine staren lijmsnuivende jongetjes).

Valt er ook nog wat te lachen in de bundel? Zeker. Op bladzijde 33:

Grootmoeders zetten ongewenste kleinkinderen
discreet bij het vuilnis
.

(Maar tegelijk is dit ook wrang grimmig). 

De jury die nisrine mbarki heeft uitgekozen als Dichter der Nederlanden, maakte natuurlijk gewag van ‘verbinden’, uiteraard, zonder dat gaat er tegenwoordig niets meer.

De bundel maakte nieuwsgierig naar meer, en het interview in de NRC ook.