dinsdag 19 augustus 2014

Pech Onderweg

Het was weer 'ns zo'n dag: het zat je weer 'ns tegen,
alles, leek het wel - en dat was zacht gezegd.
Je ging op reis, je nieuwe fiets, je oude was gestolen,
paste niet op de Twinny Load. Domper, je ging nu
met een brik de bergen op en af.
Zo'n begin kon je wel gebruiken. Je ziet prompt
een dode poes in de berm, leeg blikje cola ernaast.
Je kijkt weg, en daar ligt een dode vogel, plat,
z'n ene oog ligt een eindje verderop.
De omgeving deed er nog een schepje bovenop:
leegstaande winkels, gesloten restaurants,
lege, afgesloten parkeerterreinen en illegale stort.  

De man van J.C. Decaux hing affiches in de abri.
Je zag in het voorbijgaan dat hij een pink miste.
Voor de bakker klom je 's ochtends tegen die
12 procent helling op. Bleek hij dinsdags gesloten,
stond op een briefje, maar je leesbril lag thuis. 

Bij het zweefvliegveld zag je die man
met een loep de vleugel van zijn vliegtuig
inspecteren. De andere vleugel lag
geknakt ernaast. In de wei ernaast
besteeg een koe een andere koe. 

's Avonds aten jullie op een terras. De visboer
van om de hoek rook je al. De levende jukebox
speelde Space Odity. Je voelde, voor het eerst,
mee met de eenzaamheid van Major Tom
in z'n blikje in de ruimte.
Gottegot, wat een streek was dit ook, kijk daar dan,
staat er een wasmachine in de voortuin. En in de achtertuin
liep een Cocker Spaniƫl met kooigedrag, achtjes.
Keer op keer, met een stuk touw in z'n bek. Hij zag niks
behalve zijn ingesleten oneindigheidslus.

's Nachts was er onweer. Kletterde neer,
en bleef drukkend hangen tussen de bergen.
Je ging nog hardlopen. Je haalde je huid open
aan prikkeldraad, bloed liep over je been. 

In de winkelstraat werd je aangesproken door een dame
met een hondje. Ze zei dat ze van de Cobra was,
dat haar vader Karel Appel was - ze was in de war.
Ze zei dat ze een moestuin had gehad,
maar dat ze die liet vergrassen - vanwege lichamelijk
ongemak. Niet alleen lichamelijk, dacht jij. 

Je bezocht een kapel, pal aan zee.
Jezus was de man van staal, maar hij roestte,
het was geen bloed. En de schilder was al
bezig met Moeder Maria, zij is van steen,
ze glom, NAT, ze zag er weer strak uit.
In de grote kerk trof je Maria in een bootje,
op wielen. De bloemen die bij haar stonden,
dat waren er niet veel, en ze waren verlept.
En Christus hing hier -maar was dat nou
per ongeluk- niet gecentreerd aan het kruis.  

Er was een muziekfeest in het dorp. Maar er vielen
gaten in de programmering. Verveeld liep het publiek rond.
De jongen met kilt, vroeg een meisje ten dans.
Ze had een jurk met hoge split, ze was veel te mooi
voor hem, ze wees hem af. Een andere danser draaide
zijn rondjes. Keek zijn partner niet aan,
keek over haar schouder in de leegte. 

Op het strand viel je sandaal uit elkaar.
Verderop stond, midden tussen de badgasten,
een ambulance geparkeerd. Aan de boulevard
had een golf de strandhuisjes weggespoeld.
Er dreef een kinderzwemband voorbij, de kop
van de eend was lek. Op de kiezels lag een meeuw,
dood. Te pletter gevallen, te zien voor iedereen.
Zijn ogen open, alsof hij zelf verbaasd was.
Verderop liep die kat, had in het vuilnis gesnuffeld,
en kreeg nu die plastic zak niet meer van haar kop.
Blind dwaalde ze. 

Je vakantie liep op z'n eind. Op de camping zat een
vrouw vast in het invalidentoilet . Ze klopte tegen het raam.
Ze had een tatoo met veel zwart in het hart,
je vermoedde daaronder de naam van haar ex. 

Toen je eindelijk wifi had, had je werk je eerder ingepland,
er was iets met je contract. Stond je daar met je plannen.
Er daalde een zwijgende ongemakkelijkheid in je neer.
Je vakantie was voorbij. Bij de pomp toetste je het
verkeerde nummer in. Je hoorde het schurende geluid
van metaal tegen metaal, maar verrek, dat was jij niet.

vrijdag 15 augustus 2014

06.30 uur, de vaste ochtendrituelen van de Nieuwstraat

Man in trainingspak komt in geroutineerde wandelpas de hoek om - check.
Dame van de juwelierszaak trekt de deur dicht en laat haar hond uit - check.
De schoonmaakster van de coffeeshop heeft de barkrukken
op de tafels gezet en boent de vloer - check.
Kraaien inspecteren de voegen tussen de klinkers - check.
De krantenbezorger kleppert met de brievenbussen - check.
De zwerver fietst zigzaggend van vuilnisbak naar vuilnisbak - check.
De Chinees van de Toko zet zijn twee potplanten buiten bij de ingang - check.
De nachtportier van het hotel staat op de stoep met zijn koffie - check.
De vader en zoon van het reisbureau hebben
tegenover mekaar plaatsgenomen - check.
Om de hoek nadert de veegwagen van de gemeente om bruut
en lawaaierig de ochtend aan flarden te scheuren - CHECK!

donderdag 14 augustus 2014

Le Crotoy

Het is de herinnering aan de zomer,
het is het voorbij, eeuwig achter mij.
Ik lees Dostojevski op het strand,
zand tussen de bladzijdes,
bewijs van een knarsend bestaan.
Ik ben niet zwaar op de hand,
ik ben luchtig maar in vermomming.
Ik weet zo weinig
dat ik denk dat ik alles begrijp. 

We baden pootje op de bodem van de zee.
Het water past precies om mijn enkels,
ik pas precies in het water
en de lucht past in mijn longen.
Ik pas bij haar en haar woorden
passen in mijn oren. Moet je kijken,
mijn hoofd past precies in de wolken.

woensdag 6 augustus 2014

Lamme van Dieseplein

Nee maar, Lamme blijkt een vrouw!
En blijkt dat al een eeuw of zes,
maar ik heb dat nooit geweten.
Nooit de tekst op de plaquette gelezen.
Nooit bij stilgestaan. Had ik dat wel,
dan had ik een jaartal geweten,
en een strak motto, je hoort er haast een
hiphopritme onder, maar dit was klooster:
wat moet ik
dat doe ik

Mooi plein. Husselman heeft er een klok.
Je kijkt erop, de klok loopt, maar jij staat stil.
De bewaarder van de fietsen zwaait
als hij je herkent, zijn snor draait krullen
op zijn gezicht. Mooi plein.
Op de hoek staat die Ginko, hij strooit
zijn bladtapijt van Jugendstilmotieven.
Ooit stonden hier auto's geparkeerd.
Nu groeit er boerenkool en is er een watertappunt.
Er loopt een kronkelpad langs artisjok, zonnebloem,
lavendel, aardbei en dragon, er staat een bordje bij.
De stad groeit, maar anders dan verwacht.
Er groeit een hof van heden, pal in
de binnenstad, waar Hans Andreus
sombert vanaf een muur en waar Geert Groote
nog leeft met zijn eigen glazen dakkapel. 
 

maandag 28 juli 2014

Le Tourquet Paris Plage

Het zand van het strand
van Le Tourquet Paris Plage
wordt elke nacht
gezeefd en geharkt.

zondag 13 juli 2014

Zomervakantie

Hoe deed je dat een zomer lang,
zittend aan een slootkant bij dat meertje.
Vakantievriendje uit Hongarije,
porrend met een stokje, scheppend
met een emmertje. En waar hadden jullie
het allemaal over in je eigen taal?
En de dag er na zaten jullie er weer.
Jij begreep Laszlo, en Laszlo
begreep jou volkomen.
De sproeiers van de boeren tjikten,
tjikten, tjikten, tjikten de zomer langzaam weg. 
 
's Avonds klinkt het melodietje van de ijscokar
over de veldwegen, kinderen springen al op.
Buiten naast de deur staan de wandelschoenen.
Het gras vertoont gele, platte, vierkante plekken.
De merel zingt maar steeds hetzelfde liedje
en er zijn onweersbeestjes op je armen.
 
En die ijscoman stond tussen de wafels,
te hannesen met een lepel in die familiepot Nutella.
Jouw ogen gericht op de spatel - nog even.
Je sprak de taal niet zei de klank en wees met grote ogen.
Met daaromheen al die zwembadkinderen, een rij gebibber,
de warme wafel Nutella, de traktatie die zomer,
stond je daar met je vreemde munt, net boven de balie uitkomend.
De chocolade druipt zich een weg door de raat van de wafel,
diep die zomer in, diep in je herinnering.

woensdag 2 juli 2014

Laaglandse Hymne, het beleg van het Ultra Centrifuge Nederland

H.H. ter Balkt heeft drie bundels Laaglandse Hymnen geschreven. Hij beschrijft daarin historische gebeurtenissen van de steentijd tot de huidige tijd. Allemaal losjes in niet rijmende sonnetvorm. 'Het beleg van het UCN', is mijn Laaglandse Hymne uit de vroege jaren tachtig van de 20ste eeuw toen ik nog schoolgaand was. En demonstreerde bij het UCN in Almelo en daarna weer terug fietste naar het turfdorp Vroomshoop.
 

Het dorp aan het lateraalkanaal met de eindeloze rijen populieren,
aan de dichtgegooide, later weer herstelde sluis, waar geen schip
ooit nog geschut zal worden; Vroomshoop, met het snottergat.
Geklemd tussen het spoor en het Zwarte Gat. Waar het veen zuigt,
 
waar het veen loert, waar het veen conserveert, waar het veen
wacht, geduldig, kom maar. Verderop in de stad, zoemt de centrifuge,
de ultracentrifuge, achter een hoog hek. 's Nachts straalt de gloed
boven de stad. Je fietst vanaf de veentijd, de turftijd naar de uraniumtijd. 

Uranium gewonnen uit erts. UCN, waar Dr. Kahn de blauwdruk
voor de plutoniumbom stal. Een spion uit een jongensboek, in Almelo.
En jij demonstreerde bij het prikkeldraad. Er was ME, het traangas 

trok pluimen. Er vielen klappen in de nacht. Je foto kwam op de voorpagina.
Herkenbaar portret, met je buttons. Je idealisme brandde, je moest voort,
er moest een fout transport gestopt. Aan de horizon gloeide het veen.